Wat zijn de regels voor de werkwoordspelling in de tegenwoordige tijd?

In de tegenwoordige tijd enkelvoud is alléén deze vraag van belang: moet ik een t aan de stam toevoegen, of niet? Die vraag kun je alleen beantwoorden door op zoek te gaan naar het onderwerp van de zin.

Voor vrijwel alle werkwoorden gelden in de tegenwoordige tijd enkelvoud de volgende regels:

Voeg geen t aan de stam toe als het onderwerp

  • ik is: ik maak / ik word, maak ik / word ik
  • jij/je is én achter de persoonsvorm staat: maak jij / word jij

Voeg wél een t aan de stam toe als het onderwerp:

  • jij/je is én vóór de persoonsvorm staat: jij maakt / jij wordt
  • u is: u maakt / maakt u, u wordt / wordt u
  • een derde persoon is:
    • hij / zij / het / Mark / Fleur / het meisje / de klas / onze afdeling / het boek / Den Haag / Nederland / wie / wat / ... maakt / wordt
    • dan maakt / wordt hij / zij / het / Mark / Fleur / het meisje / de klas / onze afdeling / het boek / Den Haag / Nederland / ...

Nog drie belangrijke punten:

  • Ook als de stam op een d eindigt, geldt de regel ‘stam plus t’: jij/u/hij/zij/het wordt / raadt / rijdt / begeleidt / bereidt / onthoudt / ontvriendt / vermijdt / verraadt, enz.
  • In de tegenwoordige tijd wordt nooit een d aan de stam toegevoegd. Zinnen als ‘Zij wijzigd straks de tarieven’ en ‘Hij veranderd morgen de code’ zijn dus fout. Het moet zijn: ‘Zij wijzigt straks de tarieven’ en ‘Hij verandert morgen de code’ (weer: stam + t). Let niet op de verleden tijd van wijzigen en veranderen; de d in de verledentijdsvormen wijzigde en veranderde heeft geen enkele invloed op de tegenwoordige tijd. Aan het ezelsbruggetje van ’t kofschip heb je dus ook niets als het gaat om de tegenwoordige tijd. Dit ezelsbruggetje gaat immers over de verleden tijd, bijvoorbeeld: het is wijzigde met -de, maar lachte met -te (ezelsbrug: ch zit in ’t kofschip).
  • Soms heeft een zin op het eerste gezicht geen onderwerp, maar is tóch stam plus t juist. Bijvoorbeeld:
    • ‘Niet in rijden; loopt dood.’ (verkorting voor ‘deze straat niet in rijden; hij loopt dood’)
    • ‘Geen zorgen; komt vanzelf goed.’ (verkorting voor: ‘het komt vanzelf goed’)
    • ‘Straat is afgesloten; geldt de hele dag.’ (verkorting voor: ‘dit geldt de hele dag’)
    • ‘Geen zorgen; wordt geregeld.’ (verkorting voor ‘het wordt geregeld’)

Hieronder staan meer voorbeelden van de tegenwoordige tijd.

hele werkwoord: maken

  • stam (hele werkwoord zonder -en): mak ⇒ maak
  • ik-vorm (geen t toevoegen): ik maak lasagne; morgen maak ik lasagne
  • jij/je ná persoonsvorm (geen t toevoegen): maak jij/je lasagne?
  • jij/je vóór persoonsvorm (stam + t): jij/je maakt goede lasagne
  • u en hij/zij/ze/het voor óf na de persoonsvorm (stam + t): u / hij / zij / het meisje maakt lasagne; maakt u / hij / zij /het meisje lasagne?

hele werkwoord: organiseren

  • stam (hele werkwoord zonder -en): organiser ⇒ organiseer
  • ik-vorm (geen t toevoegen): ik organiseer een feest; natuurlijk organiseer ik het feest
  • jij/je ná persoonsvorm (geen t toevoegen): organiseer jij/je het feest?
  • jij/je vóór persoonsvorm (stam + t): jij/je organiseert het feest
  • u en hij/zij/ze/het voor óf na de persoonsvorm (stam + t): u / hij / zij /het bestuur organiseert een feest; organiseert u / hij / zij / het bestuur een feest?

hele werkwoord: wijzigen

  • stam (hele werkwoord zonder -en): wijzig
  • ik-vorm (geen t toevoegen): ik wijzig de tarieven; morgen wijzig ik de tarieven
  • jij/je ná persoonsvorm (geen t toevoegen): morgen wijzig jij/je de tarieven
  • jij/je vóór persoonsvorm (stam + t): jij/je wijzigt morgen de tarieven
  • u en hij/zij/ze/het voor óf na de persoonsvorm (stam + t): u / hij / zij / het bestuur wijzigt de tarieven; morgen wijzigt u / hij / zij / het bestuur de tarieven

hele werkwoord: worden

  • stam (hele werkwoord zonder -en): word
  • ik-vorm (geen t toevoegen): ik word dertig; word ik echt dertig?
  • jij/je ná persoonsvorm (geen t toevoegen): word jij/je binnenkort dertig?
  • jij/je vóór persoonsvorm (stam + t): jij/je wordt binnenkort dertig, hoor ik
  • u en hij/zij/ze/het voor óf na de persoonsvorm (stam + t): u / hij / zij / het mens wordt dertig; morgen wordt u / hij / zij / het mens dertig

hele werkwoord: schudden

  • stam (hele werkwoord zonder -en): schud
  • ik-vorm (geen t toevoegen): ik schud de kaarten; meestal schud ik de kaarten
  • jij/je ná persoonsvorm (geen t toevoegen): schud jij/je de kaarten?
  • jij/je vóór persoonsvorm (stam + t): jij/je schudt de kaarten het snelst
  • u en hij/zij/ze/het voor óf na de persoonsvorm (stam + t): u / hij / zij / het meisje schudt de kaarten; schudt u / hij / zij / het meisje de kaarten?

hele werkwoord: downloaden

  • stam (hele werkwoord zonder -en): download
  • ik-vorm (geen t toevoegen): ik download het bestand; straks download ik het bestand
  • jij/je ná persoonsvorm (geen t toevoegen): download jij/je het bestand?
  • jij/je vóór persoonsvorm (stam + t): jij/je downloadt het bestand
  • u en hij/zij/ze/het voor óf na de persoonsvorm (stam + t): u / hij / zij / het meisje downloadt het bestand; downloadt u / hij / zij / het meisje het bestand?