Houd

Ik houd / houd ik

Voor of na het persoonlijk voornaamwoord ik (eerste persoon) is houd goed:

  • Ik houd van thee én koffie
  • Hoe houd ik een verkooppraatje?
  • Overdrijven, daar houd ik niet van.

Hou kan hier trouwens ook. De d van de stam kan bij houden wegvallen. Wel is bijvoorbeeld ‘Hoe hou ik een verkooppraatje’ informeler dan de zin met houd.

Houd jij/je

Als jij of je achter houd staat, komt er geen t achter de stam: 

  • Houd jij meer van thee of van koffie?
  • Houd je morgen je lezing?
  • Zo houd je tijd over.
  • Als leidinggevende houd jij het overzicht over de planning.

Let op: dit geldt alleen als je het onderwerp is bij houd en dus te vervangen is door jij!

Ook hier is hou in informeel taalgebruik mogelijk.

Houd uw stad schoon!

Als houd een gebiedende wijs is, komt er ook geen t achter de stam:

  • Houd uw stad schoon!
  • Houd je mond!
  • Houd uw mond!
  • Houd vol!
  • Houd afstand!
  • Houd uw kaartjes gereed.
  • Houd uw computer virusvrij.
  • Houd je hoofd erbij.
  • Houd mijn tas eens vast.
  • Houd me op de hoogte!
  • Houd u aan de regels! (u = hier ‘uzelf’, niet het onderwerp u)

Let op bij werkwoorden met zich, zoals zich houden aan in de laatste zin. Zie daarvoor de tekst over ‘Meld u aan’ en ‘Meldt u zich aan.’

Ook in de voorbeelden hiervoor kan de slot-d wegvallen, vooral in informele zinnen als ‘Hou je kop!’ en ‘Hou je haaks!’

Houdt

Je/jij houdt

Na het persoonlijk voornaamwoord je/jij (tweede persoon) komt er een t achter de stam houd:

  • Jij houdt toch niet van voetbal?
  • Je houdt het schilderij verkeerd om.
  • Je houdt veel rekening met anderen.

U houdt en houdt u

Voor en na het persoonlijk voornaamwoord u (de beleefde vorm van de tweede persoon) komt er een t achter de stam houdt:

  • U houdt toch niet van voetbal?
  • U houdt goed de vaart erin!
  • Houdt u meer van thee of van koffie?
  • Houdt u rekening met een wachttijd.
  • Houdt u uw pasje bij de hand.
  • Houdt u de boel in de gaten?

Hij/zij/het/men houdt en houdt hij/zij/het/men?

Voor en na de persoonlijke voornaamwoorden hij/zij/het/men (derde persoon) komt er een t achter de stam houdt:

  • Hij houdt het meest van hockey.
  • Zij houdt voet bij stuk.
  • Zie je dat kindje? Het houdt zijn knuffel stevig vast.
  • Men houdt de stand nauwkeurig bij.
  • Houdt hij zich aan de regels?
  • Houdt zij nu wel of geen speech?
  • Het comité is nu in vergadering; het houdt morgen een inzamelingsactie.
  • Hier houdt men wel van een geintje.

Iedereen/Karin/Bob houdt en houdt iedereen/Karin/Bob

Voor en na een andere derde persoon – dat kunnen allerlei woorden zijn – komt er een t achter de stam houdt:

  • Iedereen houdt van vrolijkheid.
  • Wie houdt de stopwatch vast?
  • Morgen houdt het parlement een bijeenkomst.
  • Frieda houdt een speech.
  • Het hele land houdt zijn adem in.
  • Voorlopig houdt de discussie nog aan.
  • Houdt de nachtvorst aan?
  • Het hoe en waarom houdt ons allemaal bezig.

Handig hulpmiddel: de Taal*maat

De Taal*maat D, t of dt? is een stroomdiagram waarmee je kunt bepalen of houd of houdt goed is. Een handig hulpmiddel om de juiste vorm te kiezen in de tegenwoordige tijd!

Klik op het schema om het te vergroten:

D, t of dt