Het werkwoord bemoeien staat vaak samen met het voorzetsel met in een zin. Na met staat dan meestal een zelfstandig naamwoord, zoals de kwestie of het meningsverschil.

  • Ik ga me met de kwestie bemoeien.
  • Wil jij je met het meningsverschil bemoeien?

Je kunt met ook combineren met er. Met krijgt dan een andere vorm: mee. De woorden er en mee schrijf je dan aan elkaar:

  • Ik ga me ermee bemoeien.
  • Wil jij je ermee bemoeien?

Ermee betekent dan bijvoorbeeld ‘met de kwestie’ of ‘met het meningsverschil’.  

Ermee, hiermee, daarmee, waarmee

Wat voor er + mee geldt, geldt ook voor hier + mee, daar + mee en waar + mee. Je schrijft dus hiermee, daarmee en waarmee als één woord in zinnen als deze:

  • We bemoeien ons hiermee om grotere problemen te voorkomen.
  • Waarmee bemoei jij je nou weer?
  • Ze hopen dat de commissie zich daarmee bemoeit.

Op het tabblad ‘Voorbeelden’ staan meer voorbeelden van zinnen met ermee, hiermee, daarmee en waarmee. Op het tabblad ‘Achtergrond’ vind je meer uitleg over deze combinaties.

Er (...) mee

Tussen er, hier, daar of waar en mee kunnen andere delen van de zin staan. In dat geval schrijf je ze uiteraard als losse woorden, ook al horen ze nog steeds bij elkaar. Je mag mee daarom niet aan bemoeien vast schrijven.

  • Het is goed dat jij er niet mee bemoeit.
  • We bemoeien ons hier zo min mogelijk mee.
  • Waar bemoei jij je nou weer mee?
  • Ze hopen dat de commissie zich daar binnenkort mee bemoeit.

Blij met deze uitleg?

Met een donatie van € 5 steun je Onze Taal. Bedankt!

Andere combinaties met ermee

Ermee komt ook voor met andere werkwoorden dan bemoeien, zoals:

  • We moeten ermee leren leven.
  • Je kunt het ermee proberen.
  • De winkelier is ermee bekend.
  • We kunnen het daarmee vullen.
  • Ik verwacht het hiermee op te lossen.
  • Kun je daarmee overweg?
  • Waarmee heb je de saus gemaakt?
  • Daarmee is de zaak afgedaan.
  • Ik heb dat hiermee niet eerder gedaan.
  • Hiermee kan ik goed oefenen.

Er zijn veel vaste combinaties van een werkwoord en een voorzetsel: zorgen voorhouden vandenken aankijken naarwachten op, enzovoort. Na het voorzetsel staat vaak een zelfstandig naamwoord, een persoonlijk voornaamwoord of een naam (of een woordgroep met zo’n woord als kern):

  • We moeten denken aan voldoende eten voor onderweg.
  • Zij houdt van kerstliedjes.
  • Ik zorg voor jou.
  • We kijken naar Netflix.

In plaats van zo’n woord(groep) kan er ook erdaarhier of waar bij het voorzetsel staan. Als er/daar/hier/waar direct voor het voorzetsel staat in de zin, schrijf je die woorden aan elkaar: 

  • We moeten eraan denken.
  • Zij houdt daarvan.
  • Ik zorg hiervoor.
  • Waarnaar kijken we?

Ermee = ‘met het (ding)’, ‘met de dingen’

Zo’n woord als eraan betekent eigenlijk ‘aan het’ of ‘aan iets (wat net genoemd is)’. Evenzo betekent daarvan eigenlijk ‘van dat, van die dingen’. Hiervoor is te lezen als ‘voor dit, voor deze dingen’, en waarnaar betekent eigenlijk ‘naar wat, naar welke dingen’.

De combinatie van er en een voorzetsel verwijst dan ook vaak naar iets wat eerder in de zin of in de vorige zin genoemd is. Het gebruik van zo’n combinatie voorkomt dat je een woordgroep moet herhalen. Voorbeelden:

  • Denk jij aan mijn planten in de vakantie? Ja hoor, ik denk eraan.
    [eraan = aan de planten]
  • We eten blijkbaar zuurkool morgen. Houd jij daarvan?
    [daarvan = van zuurkool]
  • Je hoeft zelf geen lunch mee te nemen: hiervoor wordt gezorgd.
    [hiervoor = voor een lunch]

Combinaties als eraan denkenervan houden en ervoor zorgen kunnen ook verwijzen naar iets wat verderop in de zin staat. Dat is dan vaak een bijzin die met dat of om begint. Voorbeelden:

  • Zul je eraan denken dat je de planten water geeft?
  • Zij houdt ervan om mensen voor de gek te houden.
  • Wil jij ervoor zorgen dat mijn planten water krijgen?

Let op 

Soms staan er/daar/hier/waar en een voorzetsel wel na elkaar in de zin, maar horen ze toch niet bij elkaar. Het voorzetsel kan namelijk ook een zinsdeel vormen met een woord of woordgroep erachter. Zoals hier:

  • Ze had er voor niks zitten wachten.
    [er duidt een plaats aan; voor hoort bij (voor) niks, niet bij er]
  • Ik ben er voor de zoveelste keer in getrapt.
    [voor hoort bij (voor) de zoveelste keer, niet bij er]
  • Je kunt op me rekenen; ik ben er voor jou.
    [voor hoort bij (voor) jou, niet bij er]
  • Ze had daar van acht tot tien om hem zitten wachten.
    [daar duidt een plaats aan; van hoort bij (van) acht tot tien, niet bij daar]
  • De dieren komen hier in elk geval tot rust.
    [hier duidt een plaats aan; in hoort bij (in) elk geval, niet bij hier]
  • Onze buren hebben een garage waar tegen betaling caravans worden gestald.
    [waar duidt een plaats aan; tegen hoort bij betaling]

In deze zinnen verwijst er/daar/hier naar iets anders, bijvoorbeeld naar een plaats; in elk geval heeft het een andere functie dan in de eerdere zinnen op deze pagina. In zulke gevallen schrijf je er en het voorzetsel los van elkaar.

Online training

Vind je dit lastig? Volg dan onze training Los of vast: ‘er’, voorzetsels en werkwoorden op het online leerplatform van Onze Taal. Met behulp van video’s, stappenplannen en opdrachten heb je de regels binnen de kortste keren onder de knie.