Wat is juist: erachter zitten of er achter zitten?
Juist is: erachter zitten. Bijvoorbeeld: ‘Zou hij erachter zitten?’, ‘Ik weet niet of ze erachter zat’ en ‘De actiegroep zal erachter gezeten hebben.’
Het werkwoord zitten staat soms samen met het voorzetsel achter in een zin. Na achter staat dan meestal een zelfstandig naamwoord, zoals familie, lek of verrassing:
- De familie zat op de eerste rij en Liesbeth zat achter de familie.
- De feestcommissie zit achter deze verrassing.
- Zit het parlementslid achter het lek naar de media?
Je kunt datzelfde achter ook combineren met er. Erachter betekent dan bijvoorbeeld ‘achter deze verrassing’, ‘achter het lek naar de media’ of ‘achter de familie’. De woorden er en achter schrijf je dan aan elkaar:
- De familie zat op de eerste rij en Liesbeth zat erachter.
- De feestcommissie zit erachter.
- Zit het parlementslid erachter?
Erachter, hierachter, daarachter, waarachter
Wat voor er + achter geldt, geldt ook voor hier + achter, daar + achter en waar + achter. Je schrijft dus hierachter, daarachter en waarachter als één woord in zinnen als deze:
- De conclusie is dat de buurman hierachter zit.
- Zit de ambassadeur daarachter?
- De gang leidde naar een deur, waarachter een trap naar boven zat.
Op het tabblad ‘Voorbeelden’ staan meer voorbeelden van zinnen met erachter, hierachter, daarachter en waarachter. Op het tabblad ‘Achtergrond’ vind je meer uitleg over deze combinaties.
Er (...) achter
Tussen er, hier, daar of waar en achter kunnen andere delen van de zin staan. In dat geval schrijf je ze uiteraard als losse woorden, ook al horen ze nog steeds bij elkaar. Je mag achter daarom niet aan zitten vast schrijven.
- De conclusie is dat de buurman hier wel degelijk achter zit.
- Zou de ambassadeur daar alweer achter zitten?
- De gang leidde naar een deur, waar een trap naar boven achter zat.
- De actiegroep zal er wel achter zitten.
Blij met deze uitleg?
Met een donatie van € 5 steun je Onze Taal. Bedankt!
Andere combinaties met erachter
Erachter komt ook voor met andere werkwoorden dan zitten, zoals:
- Morgen zal hij erachter komen.
- Je kunt je hierachter verschuilen, maar fraai is het niet.
- De directie steunt het plan, ook de ondernemingsraad staat erachter.
- Toen de demonstranten voorbij waren getrokken, ging hij erachter lopen.
- Mijn sleutels liggen misschien achter de bank; kun je daarachter kijken?
- Kan je die kruk daarachter zetten?
Op het tabblad ‘Oefenen’ vind je een quizje om te oefenen met het los en vast schrijven van er/hier/daar/waar + achter met allerlei soorten werkwoorden.
Er zijn veel vaste combinaties van een werkwoord en een voorzetsel: zorgen voor, houden van, denken aan, kijken naar, wachten op, enzovoort. Na het voorzetsel staat vaak een zelfstandig naamwoord, een persoonlijk voornaamwoord of een naam (of een woordgroep met zo’n woord als kern):
- We moeten denken aan voldoende eten voor onderweg.
- Zij houdt van kerstliedjes.
- Ik zorg voor jou.
- We kijken naar Netflix.
In plaats van zo’n woord(groep) kan er ook er, daar, hier of waar bij het voorzetsel staan. Als er/daar/hier/waar direct voor het voorzetsel staat in de zin, schrijf je die woorden aan elkaar:
- We moeten eraan denken.
- Zij houdt daarvan.
- Ik zorg hiervoor.
- Waarnaar kijken we?
Erachter = ‘achter het (ding)’, ‘achter de dingen’
Zo’n woord als eraan betekent eigenlijk ‘aan het’ of ‘aan iets (wat net genoemd is)’. Evenzo betekent daarvan eigenlijk ‘van dat, van die dingen’. Hiervoor is te lezen als ‘voor dit, voor deze dingen’, en waarnaar betekent eigenlijk ‘naar wat, naar welke dingen’.
De combinatie van er en een voorzetsel verwijst dan ook vaak naar iets wat eerder in de zin of in de vorige zin genoemd is. Het gebruik van zo’n combinatie voorkomt dat je een woordgroep moet herhalen. Voorbeelden:
- Denk jij aan mijn planten in de vakantie? Ja hoor, ik denk eraan.
[eraan = aan de planten] - We eten blijkbaar zuurkool morgen. Houd jij daarvan?
[daarvan = van zuurkool] - Je hoeft zelf geen lunch mee te nemen: hiervoor wordt gezorgd.
[hiervoor = voor een lunch]
Combinaties als eraan denken, ervan houden en ervoor zorgen kunnen ook verwijzen naar iets wat verderop in de zin staat. Dat is dan vaak een bijzin die met dat of om begint. Voorbeelden:
- Zul je eraan denken dat je de planten water geeft?
- Zij houdt ervan om mensen voor de gek te houden.
- Wil jij ervoor zorgen dat mijn planten water krijgen?
Let op
Soms staan er/daar/hier/waar en een voorzetsel wel na elkaar in de zin, maar horen ze toch niet bij elkaar. Het voorzetsel kan namelijk ook een zinsdeel vormen met een woord of woordgroep erachter. Zoals hier:
- Ze had er voor niks zitten wachten.
[er duidt een plaats aan; voor hoort bij (voor) niks, niet bij er] - Ik ben er voor de zoveelste keer in getrapt.
[voor hoort bij (voor) de zoveelste keer, niet bij er] - Je kunt op me rekenen; ik ben er voor jou.
[voor hoort bij (voor) jou, niet bij er] - Ze had daar van acht tot tien om hem zitten wachten.
[daar duidt een plaats aan; van hoort bij (van) acht tot tien, niet bij daar] - De dieren komen hier in elk geval tot rust.
[hier duidt een plaats aan; in hoort bij (in) elk geval, niet bij hier] - Onze buren hebben een garage waar tegen betaling caravans worden gestald.
[waar duidt een plaats aan; tegen hoort bij betaling]
In deze zinnen verwijst er/daar/hier naar iets anders, bijvoorbeeld naar een plaats; in elk geval heeft het een andere functie dan in de eerdere zinnen op deze pagina. In zulke gevallen schrijf je er en het voorzetsel los van elkaar.
Online training
Vond je dit lastig? Volg dan onze training Los of vast: ‘er’, voorzetsels en werkwoorden op het online leerplatform van Onze Taal. Met behulp van video’s, stappenplannen en opdrachten heb je de regels binnen de kortste keren onder de knie.