Het werkwoord vinden staat vaak samen met het voorzetsel van in een zin. Na van staat dan meestal een zelfstandig naamwoord, zoals het optreden of het weer.

  • Wat vond je van het optreden?
  • Je blijft maar zeggen wat je vindt van het weer.

Je kunt datzelfde van ook combineren met er. De woorden er en van schrijf je dan aan elkaar als ze direct achter elkaar staan:

  • Je was gisteren naar het optreden. Wat vond je ervan?

Ervan verwijst hier naar het optreden uit de eerste zin. Ervan betekent dan dus ‘van het optreden’. Er zijn ook zinnen met ervan vinden waarin ervan verwijst naar een deel van de zin dat verderop staat:

  • Wat vind je ervan dat ik nu geen actie onderneem?

Ervan, hiervan, daarvan, waarvan

Wat voor er + van geldt, geldt ook voor hier + van, daar + van en waar + van. Je schrijft dus hiervan, daarvan en waarvan als één woord in zinnen als deze:

  • Wat vind je hiervan?
  • Ik weet niet goed wat ik daarvan moet vinden.
  • Zij heeft een idee waarvan ik vind dat het niet realistisch is.  

Op het tabblad ‘Voorbeelden’ staan meer voorbeelden van zinnen met ervan, hiervan, daarvan en waarvan. Op het tabblad ‘Achtergrond’ vind je meer uitleg over deze combinaties.

Er (...) van

Tussen er, hier, daar of waar en van kunnen andere delen van de zin staan. In dat geval schrijf je ze uiteraard als losse woorden, ook al horen ze nog steeds bij elkaar.

  • Wat vind je hier eigenlijk van?
  • Ik weet niet goed wat ik daar nu van moet vinden.
  • Waar moeten we iets van vinden?

Blij met deze uitleg?

Met een donatie van € 5 steun je Onze Taal. Bedankt!

Andere combinaties met ervan

Ervan komt ook voor met andere werkwoorden dan vinden, zoals:

  • Zij houden ervan om naar de bioscoop te gaan.
  • Ik droom ervan om wereldkampioen te worden.
  • Hij is daarvan overtuigd.
  • De verdachte is daarvan beschuldigd.
  • Waarvan bracht hij jou op de hoogte?
  • Mensen zijn daarvan afhankelijk.
  • Zij genieten daarvan.
  • Heb jij hiervan gehoord?
  • Waarvan weet jij het meest?
  • Zij profiteren ervan.

Op het tabblad ‘Oefenen’ vind je een quizje om te oefenen met het los en vast schrijven van er/hier/daar/waar + van met allerlei soorten werkwoorden.

Er zijn veel vaste combinaties van een werkwoord en een voorzetsel: zorgen voorhouden vandenken aankijken naarwachten op, enzovoort. Na het voorzetsel staat vaak een zelfstandig naamwoord, een persoonlijk voornaamwoord of een naam (of een woordgroep met zo’n woord als kern):

  • We moeten denken aan voldoende eten voor onderweg.
  • Zij houdt van kerstliedjes.
  • Ik zorg voor jou.
  • We kijken naar Netflix.

In plaats van zo’n woord(groep) kan er ook erdaarhier of waar bij het voorzetsel staan. Als er/daar/hier/waar direct voor het voorzetsel staat in de zin, schrijf je die woorden aan elkaar: 

  • We moeten eraan denken.
  • Zij houdt daarvan.
  • Ik zorg hiervoor.
  • Waarnaar kijken we?

Ervan = ‘van het (ding)’, ‘van de dingen’

Zo’n woord als eraan betekent eigenlijk ‘aan het’ of ‘aan iets (wat net genoemd is)’. Evenzo betekent daarvan eigenlijk ‘van dat, van die dingen’. Hiervoor is te lezen als ‘voor dit, voor deze dingen’, en waarnaar betekent eigenlijk ‘naar wat, naar welke dingen’.

De combinatie van er en een voorzetsel verwijst dan ook vaak naar iets wat eerder in de zin of in de vorige zin genoemd is. Het gebruik van zo’n combinatie voorkomt dat je een woordgroep moet herhalen. Voorbeelden:

  • Denk jij aan mijn planten in de vakantie? Ja hoor, ik denk eraan.
    [eraan = aan de planten]
  • We eten blijkbaar zuurkool morgen. Houd jij daarvan?
    [daarvan = van zuurkool]
  • Je hoeft zelf geen lunch mee te nemen: hiervoor wordt gezorgd.
    [hiervoor = voor een lunch]

Combinaties als eraan denkenervan houden en ervoor zorgen kunnen ook verwijzen naar iets wat verderop in de zin staat. Dat is dan vaak een bijzin die met dat of om begint. Voorbeelden:

  • Zul je eraan denken dat je de planten water geeft?
  • Zij houdt ervan om mensen voor de gek te houden.
  • Wil jij ervoor zorgen dat mijn planten water krijgen?

Let op 

Soms staan er/daar/hier/waar en een voorzetsel wel na elkaar in de zin, maar horen ze toch niet bij elkaar. Het voorzetsel kan namelijk ook een zinsdeel vormen met een woord of woordgroep erachter. Zoals hier:

  • Ze had er voor niks zitten wachten.
    [er duidt een plaats aan; voor hoort bij (voor) niks, niet bij er]
  • Ik ben er voor de zoveelste keer in getrapt.
    [voor hoort bij (voor) de zoveelste keer, niet bij er]
  • Je kunt op me rekenen; ik ben er voor jou.
    [voor hoort bij (voor) jou, niet bij er]
  • Ze had daar van acht tot tien om hem zitten wachten.
    [daar duidt een plaats aan; van hoort bij (van) acht tot tien, niet bij daar]
  • De dieren komen hier in elk geval tot rust.
    [hier duidt een plaats aan; in hoort bij (in) elk geval, niet bij hier]
  • Onze buren hebben een garage waar tegen betaling caravans worden gestald.
    [waar duidt een plaats aan; tegen hoort bij betaling]

In deze zinnen verwijst er/daar/hier naar iets anders, bijvoorbeeld naar een plaats; in elk geval heeft het een andere functie dan in de eerdere zinnen op deze pagina. In zulke gevallen schrijf je er en het voorzetsel los van elkaar.

Oefenen?

Wil je oefenen met er, hier, daar, waar en van? Doe de test (tien vragen)!

Online training

Vond je de test lastig? Volg dan onze training Los of vast: ‘er’, voorzetsels en vindenen op het online leerplatform van Onze Taal. Met behulp van video’s, stappenplannen en opdrachten heb je de regels binnen de kortste keren onder de knie.