Een voorzetsel geeft een relatie weer tussen de woordgroep waar het deel van uitmaakt (zoals aan de muur) en een ander element in de zin, zoals een eraan voorafgaand werkwoord (bijvoorbeeld hangt: ‘Het schilderij hangt aan de muur’). Voorzetsels zijn bijna altijd onderdeel van een woordgroep waarin het hoofdwoord een zelfstandig naamwoord is. Dat hoofdwoord kan ook een persoonlijk voornaamwoord zijn: ‘Ik geef het schilderij aan jou.’

Er zijn veel voorzetsels die iets over de positie van het een ten opzichte van het ander zeggen, zoals op de bank, in de kast, naast zijn ouders en achter het huis. Veel andere hebben een betekenis die iets met tijd te maken heeft: na een week, tijdens het werk, binnen twee maanden, enz. Maar er zijn ook veel abstractere relaties mogelijk, zoals in praten over het weer, hopen op een goede afloop en dood door schuld.

Enkele veelvoorkomende voorzetsels zijn aan, achter, bij, met, naar, op en voor:

  • Het schilderij hangt aan de muur.
  • De tuin ligt achter het huis. 
  • Ik woon bij het plein. 
  • Ik ga met de trein naar mijn werk. (met hoort bij de trein; naar bij mijn werk)
  • De pen ligt op de tafel.
  • De hong lag voor de deur. 

Achterzetsel

Als een voorzetsel achter de woordgroep staan waar het bij hoort staat, kun je het ook een achterzetsel noemen. Bijvoorbeeld: ‘Jaap liep het veld op.’ Er is (vaak) een betekenisverschil tussen zinnen met een voorzetsel en zinnen met een achterzetsel: ‘Noa liep de tuin door’ (achterzetsel; van de ene kant van de tuin naar de andere) en ‘Noa liep door de tuin’ (voorzetsel; zomaar, ‘kriskras’ door de tuin).

Combinaties met voorzetsels

Er zijn ook combinaties mogelijk van voorzetsels of van een voorzetsel en een bijwoord, zoals op … af en door … heen: ‘Hij fietste hard op de stoep af ’ (af is hier een achterzetsel), ‘Je kunt niet meer door het glas
heen kijken’ (heen is een bijwoord).

Er zijn ook combinaties mogelijk van voorzetsels of van een voorzetsel en een bijwoord, zoals op ... af en door ... heen: ‘Hij fietste hard op de stoep af’, ‘Je kunt niet meer door het glas heen kijken.’

Voorzetseluitdrukkingen

Voorzetseluitdrukkingen zijn vaste combinaties met een of meer voorzetsels die in hun geheel de functie van voorzetsel hebben. Voorbeelden zijn met betrekking tot, in het kader van, door middel van. Ze zijn vaak te vervangen door één ander voorzetsel.

Voorzetsel of bijwoord

Sommige woorden kunnen zowel voorzetsel als bijwoord zijn. Ze worden dan wel voorzetselbijwoorden genoemd. Ze kunnen verschillende functies hebben in de zin: ze kunnen deel uitmaken van een scheidbaar samengesteld werkwoord, deel zijn van het naamwoordelijk gezegde of een bijwoordelijke bepaling zijn. In dat laatste geval gaat het vrijwel altijd om bepalingen van plaats, maar het kan ook een nadere bepaling zijn bij een woordgroep die met een voorzetsel begint.

  • Hoe laat komen we in New York aan? (aan is deel van het werkwoord aankomen; zie ook het advies over de persoonsvorm)
  • Kleding uit de jaren tachtig is tegenwoordig weer helemaal in. (in is deel van het naamwoordelijk gezegde)
  • Spring maar achterop. (achterop is bijwoordelijke bepaling van plaats)

Let op gevallen als: ‘Sommigen mensen zitten het liefst achter in de trein.’ Achter is hier een bijwoord dat bij in de trein hoort, en in is een voorzetsel, dat bij de trein hoort. Achter in wordt in dit soort constructies als twee woorden geschreven.

Toch nog een vraag?

Onze taaladviseurs staan elke werkdag voor je klaar. Neem contact op via

Bel 085 00 28 428 van 9.30 tot 12.00 uur (op donderdag tot 11.00 uur) en van 13.30 tot 16.00 uur Bel 085 00 28 428 van 9.30 tot 12.00 uur (op donderdag tot 11.00 uur) en van 13.30 tot 16.00 uur

(gebruikelijke belkosten, geen extra kosten)

Of stel je vraag via social media of per mail

Hieronder staan de meestvoorkomende voorzetsel met voorbeeldzinnen. 

aan 
De was hangt aan de lijn.
De stuurman stond aan het roer.
Laten we aan de keukentafel gaan zitten.
Voorafgaand aan het overleg eten we een gebakje.
Vraag het maar aan de receptionist. 

achter
Het publiek bleef keurig achter de dranghekken. 
Ik blijf achter jou fietsen op dit smalle fietspad. 
Gelukkig hebben we nog wat geld achter de hand. 
Uiteindelijk kwamen ze achter het bedrog.

beneden
Sommige stukken van ons land liggen beneden de zeespiegel. 
Als het twee dagen beneden nul is, krijgt ze schaatskriebels.
Hun reactie was echt beneden alle peil. 

binnen
De bal lag binnen zijn bereik.
Binnen een week was ze weer op de been.

buiten
Hij zette hem buiten de deur.
Buiten kantooruren zijn wij niet bereikbaar.

door
Er staat een streep door dit woord.
Door de jaren is de waardering voor dat boek nogal veranderd.
Door een ongeval is hij invalide geworden.
De toegang tot het gebouw werd door een conciërge gecontroleerd.


langs
Langs het kanaal stonden vroeger populieren.
Langs deze weg zul je je doel nooit bereiken.

met
Met de jaren werden zijn ogen slechter.
Met wie spreek ik?
Hij zong met lange uithalen.
Met een theelepeltje wist ze het open te krijgen.
Met de kanarie ziek is het akelig stil in huis.

na
Na de wedstrijd begon het feest.
Na u, mevrouw!
Het is kwart na zes.  

naar
Morgen ga ik naar Den Haag.
Ruikt het hier naar gas?
Naar zijn idee gaat alles goed.

naast
Zij zat naast haar moeder.
Naast mijn baan moet ik ook nog veel in het huishouden doen.

om
Hij woont hier meteen om de hoek.
We staan altijd om zeven uur op.
Hij deed het alleen om de eer.

onder
Hij was vaak dagen achtereen onder de grond.
Onder de preek was ze in slaap gevallen.
Toen leefden we nog onder een feodaal juk.

op
Er stond nog een televisiemast op het dak.
Op 16 november vertrekken we.
Op die grond wilde hij ontslag nemen.

over
Zijn jas lag over de stoel.
Over een half uur ben ik klaar.
Het is kwart over zes.
Ging die lezing over euthanasie?

per
Aan de LTS is per 1 januari een vacature te vervullen.
Ik zal het je per kerende post terugsturen.
Wat ben je nou per maand voor die OV-jaarkaart kwijt?


tegen
Mijn fiets staat tegen het hek.
Het zal nu tegen twaalven zijn.
Dat is niet tegen de letter, maar wel tegen de geest van de wet.

tijdens
Tijdens de oorlog mocht je 's nachts niet je huis uit.

tot
Van Groningen tot Vlissingen en van Den Helder tot Maastricht werd er gedemonstreerd.
Nou, tot vanavond dan!
Tot mijn grote verbazing won ik de eerste prijs.

tussen
Dit tafeltje kan nog wel tussen de bank en de kast.
Tussen zes en zeven ben ik thuis.
Er is een groot verschil tussen chimpansees en gorilla's.
Tussen al die mensen kon ik hem niet ontdekken.
De overvaller verdween tussen het struikgewas.
Is dat boek niet tussen die stapel daar te vinden?

uit
Zij kwam net uit Parijs.
Uit jouw verhaal had ik dat al begrepen.
Ze deed het alleen uit plichtsbesef.

van
Ik kom net van kantoor.
Van zes tot zeven ben ik thuis.
Is dit de fiets van Karel?
Van grammatica had hij nog nooit gehoord.
Hij blaakt weer van energie.
De tafel is van hout.
Hij zei van niet.
Ik had zoiets van wat doe ik hier nog.  

vanaf
Vanaf die blauwe streep mag je parkeren.
Vanaf zes uur ben ik thuis.
Zie ook van...af .

vanuit
Ik zal je bellen vanuit Druten.

voorbij
Voorbij de derde lantaarnpaal links is een telefooncel.
wegens

zonder
Kinderen onder de 16 jaar hebben zonder geleide geen toegang.