Print deze pagina

Persoonsvorm

Wat is de persoonsvorm in een zin?

De persoonsvorm is een werkwoordsvorm. De persoonsvorm geeft ons veel grammaticale informatie over de zin: hij geeft aan of de zin in het enkelvoud of meervoud staat, of de zin in de eerste, tweede of derde persoon staat, en in welke tijd de zin staat. Hieronder worden eerst deze drie aspecten toegelicht, daaronder volgen wat manieren om na te gaan of de vorm waarvan je vermoedt dat het de persoonsvorm is, dat ook echt is.

Enkelvoud of meervoud
De persoonsvorm is nauw verbonden aan het onderwerp van de zin; als het onderwerp een enkelvoud is, moet de persoonsvorm dat ook zijn; is het onderwerp een meervoud, dan is de persoonsvorm dat ook:

  • De jongen fietst naar school. (onderwerp (de jongen) en persoonsvorm (fietst) zijn beide enkelvoud)
  • De jongens fietsen naar school. (onderwerp (de jongens) en persoonsvorm (fietsen) zijn beide meervoud)

Eerste, tweede of derde persoon
Het onderwerp en de persoonsvorm moeten in dezelfde persoon staan; dat wil zeggen dat ze beide eerste, tweede of derde persoon moeten zijn:

  • Ik ben in de zomer jarig. (onderwerp (ik) en persoonsvorm (ben) zijn beide eerste persoon enkelvoud)
  • Jij bent in de zomer jarig. (tweede persoon enkelvoud)
  • Hij is in de zomer jarig. (derde persoon enkelvoud)
  • Wij zijn in de zomer jarig. (eerste persoon meervoud)

Het verschijnsel dat de persoonsvorm en het onderwerp met elkaar overeenkomen, wordt congruentie genoemd.

Tegenwoordige, toekomende of verleden tijd
Aan de persoonsvorm is ook te zien in welke tijd de zin staat: tegenwoordige, toekomende of verleden tijd.

  • Hij gaat elke dag met de trein naar zijn werk. (tegenwoordige tijd)
  • Mijn oma hield erg van bietjes. (verleden tijd)
  • De Olympische Spelen van 2016 zullen in Rio worden gehouden. (toekomende tijd)

De persoonsvorm gaat ook vaak vergezeld van een voltooid deelwoord of een infinitief; samen geven die werkwoorden informatie over de tijd van de zin:

  • De VVD heeft de verkiezingen gewonnen. (voltooid tegenwoordige tijd)
  • Hij had dat drie weken geleden al gezegd. (voltooid verleden tijd)
  • We zullen volgend jaar naar Frankrijk gaan. (onvoltooid tegenwoordig toekomende tijd)

Controleren of je de persoonsvorm hebt herkend
Als je weet dat de persoonsvorm en het onderwerp overeenkomen, kun je bijvoorbeeld een enkelvoudig onderwerp dat in een zin voorkomt, meervoudig maken. Het werkwoord dat dan meeverandert, is de persoonsvorm. Je kunt de zin ook in een andere tijd proberen te zetten (zonder woorden te schrappen); de werkwoordsvorm die verandert, is de persoonsvorm. Voorbeelden:

  • De VVD heeft de verkiezingen gewonnen.
    • De VVD en de PvdA hebben de verkiezingen gewonnen. (Het onderwerp is nu meervoud: heeft is meeveranderd in hebben, dus dat is de persoonsvorm.)
    • De VVD had de verkiezingen gewonnen. (Van de voltooid tegenwoordige tijd is een voltooid verleden tijd gemaakt: heeft is veranderd in had en is dus de persoonsvorm van de zin)

Een andere manier om te controleren of je de persoonsvorm hebt herkend, is de zin vragend maken (een ja/nee-vraag); de persoonsvorm komt dan vooraan in de zin te staan. De persoonsvorm is ook het enige werkwoord dat verschijnt in een bevestigend antwoord op die vraag, beginnend met dat of die. Voorbeelden:

  • Heeft de VVD de verkiezingen gewonnen? (Ja, dat heeft ze.)
  • Had hij dat drie weken geleden al gezegd? (Ja, dat had hij.)
  • Zullen wij volgend jaar naar Frankrijk gaan? (Ja, dat zullen we.)

Samengestelde werkwoorden
Samengestelde werkwoorden zijn in hun geheel de persoonsvorm, ook als ze gescheiden in de zin staan:

  • De jongen leidde het meisje de hele tijd af. (Het hele werkwoord is afleiden)
  • Hoe laat kom je thuis? (Het hele werkwoord is thuiskomen)
  • Zij maakt veel gebruik van het internet. (Het hele werkwoord is gebruikmaken)

Over het 'wezen' van de persoonsvorm heeft de Taalprof een interessant stuk geschreven.

Verwante adviezen

Trefwoorden

terug
voorjaarsbanner

banner ITV

taalkalender