Het werkwoord verzetten staat vaak samen met het voorzetsel tegen in een zin. Na tegen staat dan meestal een zelfstandig naamwoord, zoals het plan of geweld:

  • De actiegroep verzet zich tegen het plan van de gemeente.
  • We moeten ons verzetten tegen geweld.

Je kunt datzelfde tegen ook combineren met er. De woorden er en tegen schrijf je dan aan elkaar als ze direct achter elkaar staan:

  • Heb je gehoord over het plan van de gemeente? Ik ga me ertegen verzetten.
  • Geweld is verkeerd, dus we moeten ons ertegen verzetten.

Er verwijst hier naar het plan of geweld uit de eerste zin. Ertegen betekent dan dus ‘tegen het plan’ of ‘tegen geweld’. Er zijn ook zinnen met ertegen verzetten waarin ertegen verwijst naar een deel van de zin dat verderop staat:

  • Ik ga me ertegen verzetten dat dit pand gesloopt wordt.

Ertegen, hiertegen, daartegen, waartegen

Wat voor er + tegen geldt, geldt ook voor hier + tegen, daar + tegen en waar + tegen. Je schrijft dus hiertegen, daartegen en waartegen als één woord in zinnen als deze:

  • Hij gaat zich hiertegen fanatiek verzetten.
  • Ik verzet me fel daartegen.
  • Waartegen gaat het parlement zich verzetten?

Op het tabblad ‘Voorbeelden’ staan meer voorbeelden van zinnen met ertegen, hiertegen, daartegen en waartegen. Op het tabblad ‘Achtergrond’ vind je meer uitleg over deze combinaties.

Er (...) tegen

Tussen er, hier, daar of waar en tegen kunnen andere delen van de zin staan. In dat geval schrijf je ze uiteraard als losse woorden, ook al horen ze nog steeds bij elkaar. Je mag tegen daarom niet aan verzetten vast schrijven.

  • De actiegroep wil zich er voortdurend tegen verzetten.
  • Hij gaat zich hier fanatiek tegen verzetten.
  • Ik verzet me daar fel tegen.
  • Waar gaat het parlement zich tegen verzetten?

Blij met deze uitleg?

Met een donatie van € 5 steun je Onze Taal. Bedankt!

Andere combinaties met ertegen

Ertegen komt ook voor met andere werkwoorden dan verzetten, zoals:

  • De raad gaat ertegen stemmen.
  • De bewoners willen hiertegen protesteren.
  • Ik ben ertegen.
  • Gaat hij bezwaar maken ertegen?
  • De buurt ageert ertegen.
  • De jongeren rebelleren ertegen.
  • Je moet ertegen kunnen!

Op het tabblad ‘Oefenen’ vind je een quizje om te oefenen met het los en vast schrijven van er/hier/daar/waar + tegen met allerlei soorten werkwoorden.

Er zijn veel vaste combinaties van een werkwoord en een voorzetsel: zorgen voorhouden vandenken aankijken naarwachten op, enzovoort. Na het voorzetsel staat vaak een zelfstandig naamwoord, een persoonlijk voornaamwoord of een naam (of een woordgroep met zo’n woord als kern):

  • We moeten denken aan voldoende eten voor onderweg.
  • Zij houdt van kerstliedjes.
  • Ik zorg voor jou.
  • We kijken naar Netflix.

In plaats van zo’n woord(groep) kan er ook erdaarhier of waar bij het voorzetsel staan. Als er/daar/hier/waar direct voor het voorzetsel staat in de zin, schrijf je die woorden aan elkaar: 

  • We moeten eraan denken.
  • Zij houdt daarvan.
  • Ik zorg hiervoor.
  • Waarnaar kijken we?

Ertegen = ‘tegen het (ding)’, ‘tegen de dingen’

Zo’n woord als eraan betekent eigenlijk ‘aan het’ of ‘aan iets (wat net genoemd is)’. Evenzo betekent daarvan eigenlijk ‘van dat, van die dingen’. Hiervoor is te lezen als ‘voor dit, voor deze dingen’, en waarnaar betekent eigenlijk ‘naar wat, naar welke dingen’.

De combinatie van er en een voorzetsel verwijst dan ook vaak naar iets wat eerder in de zin of in de vorige zin genoemd is. Het gebruik van zo’n combinatie voorkomt dat je een woordgroep moet herhalen. Voorbeelden:

  • Denk jij aan mijn planten in de vakantie? Ja hoor, ik denk eraan.
    [eraan = aan de planten]
  • We eten blijkbaar zuurkool morgen. Houd jij daarvan?
    [daarvan = van zuurkool]
  • Je hoeft zelf geen lunch mee te nemen: hiervoor wordt gezorgd.
    [hiervoor = voor een lunch]

Combinaties als eraan denkenervan houden en ervoor zorgen kunnen ook verwijzen naar iets wat verderop in de zin staat. Dat is dan vaak een bijzin die met dat of om begint. Voorbeelden:

  • Zul je eraan denken dat je de planten water geeft?
  • Zij houdt ervan om mensen voor de gek te houden.
  • Wil jij ervoor zorgen dat mijn planten water krijgen?

Let op 

Soms staan er/daar/hier/waar en een voorzetsel wel na elkaar in de zin, maar horen ze toch niet bij elkaar. Het voorzetsel kan namelijk ook een zinsdeel vormen met een woord of woordgroep erachter. Zoals hier:

  • Ze had er voor niks zitten wachten.
    [er duidt een plaats aan; voor hoort bij (voor) niks, niet bij er]
  • Ik ben er voor de zoveelste keer in getrapt.
    [voor hoort bij (voor) de zoveelste keer, niet bij er]
  • Je kunt op me rekenen; ik ben er voor jou.
    [voor hoort bij (voor) jou, niet bij er]
  • Ze had daar van acht tot tien om hem zitten wachten.
    [daar duidt een plaats aan; van hoort bij (van) acht tot tien, niet bij daar]
  • De dieren komen hier in elk geval tot rust.
    [hier duidt een plaats aan; in hoort bij (in) elk geval, niet bij hier]
  • Onze buren hebben een garage waar tegen betaling caravans worden gestald.
    [waar duidt een plaats aan; tegen hoort bij betaling]

In deze zinnen verwijst er/daar/hier naar iets anders, bijvoorbeeld naar een plaats; in elk geval heeft het een andere functie dan in de eerdere zinnen op deze pagina. In zulke gevallen schrijf je er en het voorzetsel los van elkaar.

Oefenen?

Wil je oefenen met er, hier, daar, waar en het voorzetsel tegen? Doe de test (tien vragen)!

Online training

Vond je de test lastig? Volg dan onze training Los of vast: ‘er’, voorzetsels en werkwoorden op het online leerplatform van Onze Taal. Met behulp van video’s, stappenplannen en opdrachten heb je de regels binnen de kortste keren onder de knie.