Open menu Onze Taal logo

Hoofdmenu

  • Taalloket
  • Tijdschrift
  • Educatie
  • Schatkamer
  • Winkel
  • Trainingen
  • Over ons
  • Zoeken
  • Inloggen
  • Lid worden
  • Doneren
  • Taalloket
  • Tijdschrift
  • Educatie
  • Schatkamer
  • Winkel
  • Over Onze Taal
  • Inloggen
  • Lid worden
  • Doneren
  1. Home
  2. Tijdschrift
  3. 05 2026

Geruzie en een falend alfabet

In de Onze Taal-uitgave 'Visie, ruzie, compromis' duikt Miet Ooms in de geschiedenis van de spelling – iets waar mensen elkaar al eeuwenlang de tent om uit vechten. Dat komt niet alleen door grote ego’s, maar ook door ons alfabet: dat past niet bij het Nederlands. Een voorpublicatie.

Miet Ooms Yfke de Jong
Geruzie en een falend alfabet

Of je nu vacantie, vakantie of vakansie schrijft, het blijft een plezierige periode van het jaar waarin je je tijd kunt invullen zoals je dat zelf wilt. En een pannekoek met sjokolade smaakt net zo lekker als een pannenkoek met chocolade. Toch zijn er maar weinig taalverschijnselen waar mensen zich in het verleden zo druk om hebben gemaakt als om de schrijfwijze van dit soort woorden.

Hoe zit dat toch? En waarom willen mensen toch blijven sleutelen aan de spelling? Is schrijven dan echt zo moeilijk? Om met die laatste vraag te beginnen: ja, het is moeilijk, en ik heb ontdekt waarom.

Knutselen

Omdat dit najaar het laatste Groene Boekje op papier verschijnt (zie het kader), wilden Onze Taal en ik de geschiedenis van de spelling voor eens en altijd uitpluizen: alle meningen, verhitte discussies en halfbakken besluiten. Deze smeuïge toestanden komen allemaal aan bod in het boek Visie, ruzie, compromis dat in oktober gepresenteerd wordt. Toen ik diep genoeg in de geschiedenis van de Nederlandse spelling dook, ontdekte ik de echte oorsprong van alle spellingheibel: het Nederlandse alfabet. Dat alfabet past even goed bij het Nederlands als een platte schroevendraaier in een schroef met een kruiskop: je kunt hem wel vastdraaien, maar erg vlot gaat het niet.

Toen de oude Germanen zich rond 800 tot het christendom bekeerden, werd het schrift plots belangrijk: de Bijbel met het Woord van God stond centraal en de christelijke leiders moesten die natuurlijk kunnen lezen en erover schrijven. Dat gebeurde in eerste instantie in het Latijn, de taal van zowat alle christelijke teksten. En dus gebruikten de Germanen het Latijnse alfabet. Voor het Latijn zelf was dat alfabet heel handig: elke letter werd in het klassiek Latijn altijd op dezelfde manier uitgesproken. In het Latijnse woord circus klonken beide c’s bijvoorbeeld als k. Eenvoudiger kan het niet.

In de Lage Landen functioneerde het Latijnse schrift minder goed. Dat zag je al bij de voorlopers van het Nederlands. Het onderscheid tussen de korte a (zoals in man) en de lange aa (zoals in maan) bestond niet in het Latijn: voor de Romeinen klonken die twee klanken min of meer hetzelfde. Omdat voor sommige Nederlandse klanken dus geen aparte Latijnse letters waren, knutselden middeleeuwse schrijvers weleens wat in elkaar. Die lange aa-klank werd, bijvoorbeeld in jaar, de ene keer geschreven als ai en de andere keer als ae. Het woord ik werd lang geleden dan weer als ic gespeld, maar ook als ick. Elke schrijver had een eigen systeem en ze waren zelfs daarin niet consistent. Niemand vond dat een probleem. Waarschijnlijk omdat er uiteindelijk maar weinig mensen konden lezen, laat staan schrijven.

Reuring

De reuring rond spelling begon pas na de uitvinding van de boekdrukkunst in de zestiende eeuw. Er kwamen meer teksten beschikbaar in een grotere oplage, en steeds meer mensen konden lezen en schrijven. Een vast spelling systeem was daarbij best handig. Velen voelden zich dan ook geroepen om zo’n systeem vast te leggen, en zo ver schenen de eerste taalgidsen. Maar het alfabet bleef een probleem, met te weinig le ers voor de klinkers, en enkele overbodige medeklinkers. Elke taalgidsschrijver vond het eigen systeem het beste, en zo ontstonden discussies met collega’s die iets anders hadden verzonnen.

Eeuwenlang bleef het gebakkelei over de spelling beperkt tot een culturele elite. Tot het Franse negentiende-eeuwse nationalistische ideaal ‘één land, één taal, één volk’ ook voet aan de grond kreeg in het Nederlandstalige gebied. De overheid (van de ‘Bataafse Republiek’ destijds) zag in taal, en dus ook in schrijven en spelling, het gedroomde middel om de bevolking tot een natie samen te smeden. Het leek die overheid een goed idee om een officiële spelling op te leggen aan onderwijzers (dan leerde de jonge generatie in één keer hoe het moest) en de ambtenarij (zo kreeg de spelling een zekere status).

Maar zo makkelijk ging dat niet: volwassenen, zeker intellectuelen, laten zich niet graag door een overheid dicteren hoe ze moeten schrijven. Zo hanteerde Multatuli in zijn Ideën bewust een heel eigengereide spelling. Het verzet werd bijgevolg principiëler, en de discussies over spelling werden steeds breder gevoerd naarmate het onderwijs democratischer werd. Sindsdien is elke spellinghervorming, van het afschaffen van -sch in mensch in 1934 tot het toevoegen van de tussen-n in pannenkoek in 1995, voer voor emotionele krantenkoppen en verontwaardigde opiniestukken.

Maar … toen bleek dat ‘de bijbel van de spelling’, het Groene Boekje, in 2026 voor het laatst op papier zou verschijnen, was de berichtgeving erover neutraal en bleven de verontwaardigde reacties uit. Is onze visie op spelling echt veranderd, zijn de ruzies bijgelegd en de compromissen gesloten? In Visie, ruzie, compromis onderzoek ik die vragen.

logo
  • Genootschap Onze Taal
  • Paleisstraat 9
  • 2514 JA Den Haag
  • Taalvragen
  • 085 00 28 428 (werkdagen 9.30-12.30 en 13.30-16.00 uur)
  • taalloket@onzetaal.nl
  • Ledenservice
  • 0251-760123 (werkdagen 9.00-17.00)
  • onzetaal@aboland.nl

Blijf op de hoogte!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief Taalpost.

  • Privacybeleid
  • Algemene voorwaarden
  • Cookies
  • Contact
Log in


of

Word lid