Het werkwoord blijven staat soms samen met het voorzetsel buiten in een zin. Na buiten staat dan meestal een zelfstandig naamwoord, zoals de kamer of ruzies.

  • Lucy bleef buiten de kamer, terwijl de rest naar binnen liep.
  • Ik blijf altijd buiten ruzies van de kinderen.

Je kunt datzelfde buiten ook combineren met er. De woorden er en buiten schrijf je dan aan elkaar:

  • De rest liep de kamer in, maar Lucy bleef erbuiten.
  • De kinderen hadden flinke ruzie, maar ik ben erbuiten gebleven.

Er verwijst dan naar iets dat eerder in de zin of tekst genoemd is. Erbuiten betekent hier bijvoorbeeld ‘buiten de kamer’ of ‘buiten de ruzie’.

Soms verwijst erbuiten blijven niet naar iets concreets of eerdergenoemds. Je schrijft erbuiten ook dan aan elkaar:

  • Als ze gaan bekvechten, kun je maar beter erbuiten blijven.
  • Vraag het niet aan mij, ik blijf liever erbuiten.
  • Blijf erbuiten!

Erbuiten, hierbuiten, daarbuiten, waarbuiten

Wat voor er + buiten geldt, geldt ook voor hier + buiten, daar + buiten en waar + buiten. Je schrijft dus hierbuiten, daarbuiten en waarbuiten als één woord in zinnen als deze:

  • Vraag het niet aan mij; ik blijf hierbuiten!
  • Dat is een ruzie waarbuiten je moet blijven.

Op het tabblad ‘Voorbeelden’ staan meer voorbeelden van zinnen met erbuiten, hierbuiten, daarbuiten en waarbuiten. Op het tabblad ‘Achtergrond’ vind je meer uitleg over deze combinaties.

Er (...) buiten

Tussen er, hier, daar of waar en buiten kunnen andere delen van de zin staan. In dat geval schrijf je ze uiteraard als losse woorden, ook al horen ze nog steeds bij elkaar. Je mag buiten daarom niet aan blijven vast schrijven.

  • Als ze gaan bekvechten, kun je er maar beter buiten blijven.
  • De kinderen hadden flinke ruzie, maar ik ben daar gewoon buiten gebleven.
  • Vraag het niet aan mij; ik blijf hier helemaal buiten!
  • Dat is een ruzie waar je buiten moet blijven.

Blij met deze uitleg?

Met een donatie van € 5 steun je Onze Taal. Bedankt!

Andere combinaties met erbuiten

Erbuiten komt ook voor met andere woorden dan blijven, zoals:

  • Je kunt je beter erbuiten houden.
  • Laat de buurman erbuiten.
  • De laatste opmerking valt erbuiten.
  • De winkelier heeft de duurste artikelen erbuiten geplaatst.
  • Verwacht jij erbuiten te kunnen?
  • Het is het beste als wij erbuiten blijven staan.
  • Hou je erbuiten!
  • Je kunt de discussie zowel in de aula als erbuiten voortzetten.
  • Zij functioneert maar matig in de groep maar wel goed erbuiten. 

Op het tabblad ‘Oefenen’ vind je een quizje om te oefenen met het los en vast schrijven van er/hier/daar/waar + buiten met allerlei soorten werkwoorden.

Er zijn veel vaste combinaties van een werkwoord en een voorzetsel: zorgen voorhouden vandenken aankijken naarwachten op, enzovoort. Na het voorzetsel staat vaak een zelfstandig naamwoord, een persoonlijk voornaamwoord of een naam (of een woordgroep met zo’n woord als kern):

  • We moeten denken aan voldoende eten voor onderweg.
  • Zij houdt van kerstliedjes.
  • Ik zorg voor jou.
  • We kijken naar Netflix.

In plaats van zo’n woord(groep) kan er ook erdaarhier of waar bij het voorzetsel staan. Als er/daar/hier/waar direct voor het voorzetsel staat in de zin, schrijf je die woorden aan elkaar: 

  • We moeten eraan denken.
  • Zij houdt daarvan.
  • Ik zorg hiervoor.
  • Waarnaar kijken we?

Erbuiten = ‘buiten het (ding)’, ‘buiten de dingen’

Zo’n woord als eraan betekent eigenlijk ‘aan het’ of ‘aan iets (wat net genoemd is)’. Evenzo betekent daarvan eigenlijk ‘van dat, van die dingen’. Hiervoor is te lezen als ‘voor dit, voor deze dingen’, en waarnaar betekent eigenlijk ‘naar wat, naar welke dingen’.

De combinatie van er en een voorzetsel verwijst dan ook vaak naar iets wat eerder in de zin of in de vorige zin genoemd is. Het gebruik van zo’n combinatie voorkomt dat je een woordgroep moet herhalen. Voorbeelden:

  • Denk jij aan mijn planten in de vakantie? Ja hoor, ik denk eraan.
    [eraan = aan de planten]
  • We eten blijkbaar zuurkool morgen. Houd jij daarvan?
    [daarvan = van zuurkool]
  • Je hoeft zelf geen lunch mee te nemen: hiervoor wordt gezorgd.
    [hiervoor = voor een lunch]

Combinaties als eraan denkenervan houden en ervoor zorgen kunnen ook verwijzen naar iets wat verderop in de zin staat. Dat is dan vaak een bijzin die met dat of om begint. Voorbeelden:

  • Zul je eraan denken dat je de planten water geeft?
  • Zij houdt ervan om mensen voor de gek te houden.
  • Wil jij ervoor zorgen dat mijn planten water krijgen?

Let op 

Soms staan er/daar/hier/waar en een voorzetsel wel na elkaar in de zin, maar horen ze toch niet bij elkaar. Het voorzetsel kan namelijk ook een zinsdeel vormen met een woord of woordgroep erachter. Zoals hier:

  • Ze had er voor niks zitten wachten.
    [er duidt een plaats aan; voor hoort bij (voor) niks, niet bij er]
  • Ik ben er voor de zoveelste keer in getrapt.
    [voor hoort bij (voor) de zoveelste keer, niet bij er]
  • Je kunt op me rekenen; ik ben er voor jou.
    [voor hoort bij (voor) jou, niet bij er]
  • Ze had daar van acht tot tien om hem zitten wachten.
    [daar duidt een plaats aan; van hoort bij (van) acht tot tien, niet bij daar]
  • De dieren komen hier in elk geval tot rust.
    [hier duidt een plaats aan; in hoort bij (in) elk geval, niet bij hier]
  • Onze buren hebben een garage waar tegen betaling caravans worden gestald.
    [waar duidt een plaats aan; tegen hoort bij betaling]

In deze zinnen verwijst er/daar/hier naar iets anders, bijvoorbeeld naar een plaats; in elk geval heeft het een andere functie dan in de eerdere zinnen op deze pagina. In zulke gevallen schrijf je er en het voorzetsel los van elkaar.

Online training

Vond je dit lastig? Volg dan onze training Los of vast: ‘er’, voorzetsels en rekenenen op het online leerplatform van Onze Taal. Met behulp van video’s, stappenplannen en opdrachten heb je de regels binnen de kortste keren onder de knie.