Het werkwoord blijven staat vaak samen met het voorzetsel bij in een zin. Na bij staat dan meestal een zelfstandig naamwoord, zoals (zijn) standpunt of (de) vereniging:

  • Hij blijft bij zijn standpunt.
  • Ze heeft beloofd bij de vereniging te blijven.

Je kunt datzelfde bij ook combineren met er. De woorden er en bij schrijf je dan aan elkaar:

  • Wat je ook tegen zijn standpunt inbrengt, hij blijft erbij.
  • Ze woont nu ver weg van de vereniging, maar ze heeft beloofd erbij te blijven.

Er verwijst hier naar iets dat eerder genoemd is. Erbij betekent dan dus ‘bij zijn standpunt’ of ‘bij de vereniging’.

Er zijn ook zinnen met erbij blijven waarin erbij verwijst naar een deel van de zin dat verderop staat:

  • Hij blijft erbij dat hij gelijk heeft.

Erbij, hierbij, daarbij, waarbij

Wat voor er + bij geldt, geldt ook voor hier + bij, daar + bij en waar + bij. Je schrijft dus hierbij, daarbij en waarbij als één woord in zinnen als deze:

  • Wat haar betreft mag het hierbij blijven.
  • De beslissing is onveranderd en het zal daarbij blijven.
  • Dat standpunt, waarbij je nu zo stellig blijft, is echt onhoudbaar.

Op het tabblad ‘Voorbeelden’ staan meer voorbeelden van zinnen met erbij, hierbij, daarbij en waarbij. Op het tabblad ‘Achtergrond’ vind je meer uitleg over deze combinaties.

Er (...) bij

Tussen er, hier, daar of waar en bij kunnen andere delen van de zin staan. In dat geval schrijf je ze uiteraard als losse woorden, ook al horen ze nog steeds bij elkaar. Je mag bij daarom niet aan blijven vast schrijven.

  • Wat hem betreft mag het hier vooralsnog bij blijven.
  • De beslissing is onveranderd en het zal daar zeker bij blijven.
  • Dat standpunt, waar je nu zo stellig bij blijft, is echt onhoudbaar.

Blij met deze uitleg?

Met een donatie van € 5 steun je Onze Taal. Bedankt!

Andere combinaties met erbij

Erbij komt ook voor met andere werkwoorden dan blijven, zoals:

  • Laten we het erbij zitten?
  • Hoe hij erbij komt, is een raadsel.
  • Wil je een koekje erbij nemen?
  • Tel hierbij de andere getallen op.
  • Waarbij past dat schilderij in de woonkamer?
  • Denk erbij na voordat je het antwoord geeft.
  • Zet dat boek maar daarbij.
  • Presenteer je tevens de cijfers van vorig jaar erbij?
  • Vergeet niet erbij te lachen!
  • Vind je dat die schoenen daarbij passen?

Op het tabblad ‘Oefenen’ vind je een quizje om te oefenen met het los en vast schrijven van er/hier/daar/waar + bij met allerlei soorten werkwoorden.

Er zijn veel vaste combinaties van een werkwoord en een voorzetsel: zorgen voorhouden vandenken aankijken naarwachten op, enzovoort. Na het voorzetsel staat vaak een zelfstandig naamwoord, een persoonlijk voornaamwoord of een naam (of een woordgroep met zo’n woord als kern):

  • We moeten denken aan voldoende eten voor onderweg.
  • Zij houdt van kerstliedjes.
  • Ik zorg voor jou.
  • We kijken naar Netflix.

In plaats van zo’n woord(groep) kan er ook erdaarhier of waar bij het voorzetsel staan. Als er/daar/hier/waar direct voor het voorzetsel staat in de zin, schrijf je die woorden aan elkaar: 

  • We moeten eraan denken.
  • Zij houdt daarvan.
  • Ik zorg hiervoor.
  • Waarnaar kijken we?

Erbij = ‘bij het (ding)’, ‘bij de dingen’

Zo’n woord als eraan betekent eigenlijk ‘aan het’ of ‘aan iets (wat net genoemd is)’. Evenzo betekent daarvan eigenlijk ‘van dat, van die dingen’. Hiervoor is te lezen als ‘voor dit, voor deze dingen’, en waarnaar betekent eigenlijk ‘naar wat, naar welke dingen’.

De combinatie van er en een voorzetsel verwijst dan ook vaak naar iets wat eerder in de zin of in de vorige zin genoemd is. Het gebruik van zo’n combinatie voorkomt dat je een woordgroep moet herhalen. Voorbeelden:

  • Denk jij aan mijn planten in de vakantie? Ja hoor, ik denk eraan.
    [eraan = aan de planten]
  • We eten blijkbaar zuurkool morgen. Houd jij daarvan?
    [daarvan = van zuurkool]
  • Je hoeft zelf geen lunch mee te nemen: hiervoor wordt gezorgd.
    [hiervoor = voor een lunch]

Combinaties als eraan denkenervan houden en ervoor zorgen kunnen ook verwijzen naar iets wat verderop in de zin staat. Dat is dan vaak een bijzin die met dat of om begint. Voorbeelden:

  • Zul je eraan denken dat je de planten water geeft?
  • Zij houdt ervan om mensen voor de gek te houden.
  • Wil jij ervoor zorgen dat mijn planten water krijgen?

Let op 

Soms staan er/daar/hier/waar en een voorzetsel wel na elkaar in de zin, maar horen ze toch niet bij elkaar. Het voorzetsel kan namelijk ook een zinsdeel vormen met een woord of woordgroep erachter. Zoals hier:

  • Ze had er voor niks zitten wachten.
    [er duidt een plaats aan; voor hoort bij (voor) niks, niet bij er]
  • Ik ben er voor de zoveelste keer in getrapt.
    [voor hoort bij (voor) de zoveelste keer, niet bij er]
  • Je kunt op me rekenen; ik ben er voor jou.
    [voor hoort bij (voor) jou, niet bij er]
  • Ze had daar van acht tot tien om hem zitten wachten.
    [daar duidt een plaats aan; van hoort bij (van) acht tot tien, niet bij daar]
  • De dieren komen hier in elk geval tot rust.
    [hier duidt een plaats aan; in hoort bij (in) elk geval, niet bij hier]
  • Onze buren hebben een garage waar tegen betaling caravans worden gestald.
    [waar duidt een plaats aan; tegen hoort bij betaling]

In deze zinnen verwijst er/daar/hier naar iets anders, bijvoorbeeld naar een plaats; in elk geval heeft het een andere functie dan in de eerdere zinnen op deze pagina. In zulke gevallen schrijf je er en het voorzetsel los van elkaar.

Online training

Vond je de test lastig? Volg dan onze training Los of vast: ‘er’, voorzetsels en werkwoorden op het online leerplatform van Onze Taal. Met behulp van video’s, stappenplannen en opdrachten heb je de regels binnen de kortste keren onder de knie.