Print deze pagina

Zinsdelen (redekundig ontleden)

Wat is redekundig ontleden? En hoe doe je dat?

Bij redekundig ontleden wordt een zin verdeeld in zinsdelen. Een zinsdeel is een eenheid die een bepaalde functie heeft in de zin.

Traditioneel worden de volgende zinsdelen onderscheiden: onderwerp, persoonsvorm, gezegde, meewerkend voorwerp, belanghebbend voorwerp, oorzakelijk voorwerp, lijdend voorwerp, bijwoordelijke bepaling, bijvoeglijke bepaling, voorzetselvoorwerp en bepaling van gesteldheid. Natuurlijk komen niet al die zinsdelen samen in één zin voor, maar elke zin (behalve een elliptische zin) heeft een onderwerp en een gezegde. 'Ik slaap' bestaat uit een onderwerp (ik) en een gezegde (slaap). De zin 'Anna leest een boek' heeft een onderwerp (Anna), een gezegde (leest) en een lijdend voorwerp (een boek). In dit advies staat hóé zinnen ontleed worden; meer informatie over de verschillende zinsdelen staat in de afzonderlijke adviezen over de zinsdelen.

Stel dat de zin 'Mijn moeder heeft gisteren op de markt appels gekocht' redekundig ontleed moet worden. Wat is dan de beste aanpak? Het volgende stappenplan geeft houvast:

  1. Stel eerst vast wat de persoonsvorm is, bijvoorbeeld door de zin vragend te maken: 'Heeft mijn moeder gisteren op de markt appels gekocht?' De persoonsvorm is het woord dat nu vooraan staat: heeft.
  2. Kijk vervolgens of er nog meer werkwoorden in de zin staan, die samen met heeft het gezegde kunnen vormen. Gekocht is het enige andere werkwoord; het gezegde van de zin is dus heeft gekocht. Omdat dit gezegde alleen uit werkwoorden bestaat, en een actie aanduidt, is het een werkwoordelijk gezegde.
  3. Ga dan op zoek naar het onderwerp van de zin; dat kan bijvoorbeeld gevonden worden door antwoord te geven op de vraag 'Wie (of wat) heeft gekocht?' Het antwoord daarop is mijn moeder, wat dus het onderwerp van de zin is.
  4. Het hoofdwerkwoord van deze zin is kopen. Een eigenschap van dit werkwoord is dat het altijd een lijdend voorwerp bij zich heeft (het is overgankelijk); er moet altijd in de zin staan wát iemand koopt: in dit geval appels.
  5. In de zin staat geen meewerkend voorwerp; er wordt niet aangegeven voor wie de appels zijn.
  6. Dan is er nog het stukje gisteren op de markt. Dit zijn twee aparte zinsdelen; ze kunnen los van elkaar verplaatst of weggelaten worden: 'Gisteren heeft mijn moeder op de markt appels gekocht', 'Mijn moeder heeft op de markt appels gekocht', 'Mijn moeder heeft gisteren appels gekocht.' Gisteren en op de markt zijn beide bepalingen. Gisteren is een bepaling van tijd, op de markt een bepaling van plaats.

Samenvattend wordt de zin 'Mijn moeder heeft gisteren op de markt appels gekocht' dus als volgt ontleed:

  • mijn moeder = onderwerp
  • heeft = persoonvorm
  • heeft gekocht = werkwoordelijk gezegde
  • gisteren = bepaling van tijd
  • op de markt = bepaling van plaats
  • appels = lijdend voorwerp

Op vergelijkbare wijze kan de zin 'Die nieuwe buurman lijkt me heel aardig' ontleed worden:

  1. Als de zin vragend wordt gemaakt, luidt hij: 'Lijkt die nieuwe buurman me heel aardig?' De persoonsvorm is dus lijkt.
  2. Lijken is een koppelwerkwoord. Deze zin heeft dus een naamwoordelijk gezegde. Omdat een naamwoordelijk gezegde een vaste eigenschap aangeeft, moet die eigenschap genoemd worden in de zin. Dat is heel aardig; lijkt heel aardig is dus het naamwoordelijk gezegde. Heel aardig is van dit gezegde het naamwoordelijk deel.
  3. Het antwoord op de vraag 'Wie lijkt heel aardig?' is die nieuwe buurman, dat dus het onderwerp is.
  4. Blijft over me. Dit is een ondervindend voorwerp.

De volledige ontleding van de zin 'Die nieuwe buurman lijkt me heel aardig' is dus:

  • die nieuwe buurman = onderwerp
  • lijkt = persoonsvorm
  • lijkt heel aardig = naamwoordelijk gezegde
  • me = ondervindend voorwerp
  • heel aardig = naamwoordelijk deel van het gezegde

Verwante adviezen

Trefwoorden

terug
voorjaarsbanner

banner ITV

taalkalender