Een lijdend voorwerp kan een zelfstandig naamwoord zijn (bijvoorbeeld fiets, een meisje, Anna), een woordgroep met een zelfstandig naamwoord als kern (haar nieuwe kleren) of een persoonlijk voornaamwoord (mij, je, haar, hem, het, ons, jullie, hen). In de onderstaande voorbeelden is het lijdend voorwerp gecursiveerd:

  • Onder de douche zingt hij altijd keihard Satisfaction.
  • Pieter heeft Anna gisteren nog gezien.
  • Denise showde haar moeder haar nieuwe kleren.
  • Iedereen verdient liefde.
  • Bel jij hem even? 
  • Welk boek raad je me aan?

Het lijdend voorwerp herkennen

Het lijdend voorwerp heeft de volgende eigenschappen waaraan je het kunt herkennen.

1. Het kan grammaticaal onderwerp worden in een passieve zin.
- ‘Ik koop een nieuwe fiets’ wordt dan ‘Een nieuwe fiets wordt gekocht (door mij).’ Het lijdend voorwerp een nieuwe fiets is grammaticaal onderwerp van wordt in de passieve zin.
- ‘Renée riep hem’ wordt ‘Hij werd geroepen (door Renée).’ Het lijdend voorwerp hem is grammaticaal onderwerp van werd in de passieve zin.
2. Het is in veel gevallen het antwoord op de vraag: ‘wie/wat + gezegde + onderwerp?’
- Ik kocht een nieuwe fiets. ‘Wat kocht ik?’ Antwoord: een nieuwe fiets.
Maar pas op met dit kenmerk! In bijvoorbeeld ‘Ik zit goed’ levert de vraag ‘Wat zit ik?’ niet het lijdend voorwerp op. Goed is hier bijwoordelijke bepaling van hoedanigheid. Dat blijkt ook uit het feit dat ‘Hoe zit ik?’ hier eigenlijk een betere vraag is. Ook in bijvoorbeeld ‘De fiets is gloednieuw’ levert de vraag ‘Wat is de fiets?’ niet het lijdend voorwerp op. Gloednieuw is naamwoordelijk deel van het gezegde. Het benoemt een eigenschap van de fiets. Bij een naamwoordelijk gezegde komt nooit een lijdend voorwerp voor.

Lijdendvoorwerpszin

Een lijdend voorwerp kan ook een bijzin omvatten, of zelfs bestaan uit een hele zin. In dat laatste geval wordt gesproken van een lijdendvoorwerpszin:

  • Denise showde haar moeder de kleren die zij die ochtend had gekocht. (Wat showde Denise? De kleren die zij die ochtend had gekocht)
  • Evelien vertelde dat ze volgende week op vakantie gaat. (Wat vertelde Evelien? Dat ze volgende week op vakantie gaat)
  • ‘Ik ga volgende week op vakantie’, vertelde Evelien. (Wat vertelde Evelien? Ik ga volgende week op vakantie)
  • Haar collega wil weten wie er meegaan met het personeelsuitje. (Wat wil haar collega weten? Wie er meegaan met het personeelsuitje)

Of in een zin een lijdend voorwerp staat, wordt bepaald door het werkwoord. Sommige werkwoorden worden altijd met een lijdend voorwerp gecombineerd, andere soms, en weer andere nooit. Zie daarvoor de uitleg over overgankelijke en onovergankelijke werkwoorden.

Toch nog een vraag?

Onze taaladviseurs staan elke werkdag voor je klaar. Neem contact op via

Bel 085 00 28 428 van 9.30 tot 12.00 uur (op donderdag tot 11.00 uur) en van 13.30 tot 16.00 uur Bel 085 00 28 428 van 9.30 tot 12.00 uur (op donderdag tot 11.00 uur) en van 13.30 tot 16.00 uur

(gebruikelijke belkosten, geen extra kosten)

Of stel je vraag via social media of per mail