Hoe schrijf je inclusief?
Inclusief schrijven is meer dan ‘gevoelige’ woorden vermijden. Het gaat om taal gebruiken waarin iedereen zich kan herkennen en waardoor niemand zich buitengesloten voelt.
Wat is inclusieve taal?
Mensen worden zich er steeds meer van bewust dat niet iedereen hetzelfde is. Mensen kunnen verschillen op het gebied van huidskleur, sekse, gender, leeftijd, beperking, etnische achtergrond, enzovoort. Als je in je taalgebruik rekening wilt houden met die diversiteit, moet je inclusief schrijven. Dat houdt in dat je taal gebruikt waarin mensen zich kunnen herkennen en die respectvol is.
Er is geen standaardoplossing of een simpele ‘checklist’ voor inclusieve taal. Bij inclusief schrijven gaat het niet om het verbieden van woorden, maar om bewustwording van hoe jouw taal anderen kan buitensluiten, en hoe je dat kunt voorkomen. Gebruik deze tekst daarom als inspiratie.
Onder inclusief taalgebruik valt:
Blij met deze uitleg?
Met een donatie van € 5 steun je Onze Taal. Bedankt!
Voorbereiding: je lezer en jij
Inclusief schrijven begint eigenlijk nog voordat je start met het schrijven zelf. Als schrijver is het goed om na te denken over je eigen perspectief, je doelgroep, over hoe jij mogelijk verschilt van je doelgroep, en over de context en het doel van je tekst.
Waar je op kunt letten:
- Verken je eigen positie om te voorkomen dat er aannames en stereotypen doorsijpelen in je taalgebruik. Wat voor jou vanzelfsprekend is, geldt misschien niet voor iedereen.
- Breng je doelgroep in beeld. Voor wie schrijf je en hoe divers is die groep als het gaat om bijvoorbeeld leeftijd, achtergrond of taalvaardigheid? Pas daar je taalgebruik op aan. Is je doelgroep breed en moet je tekst voor iedereen duidelijk zijn? Schrijf dan in duidelijke taal. Een tekst die moeilijk te lezen is, sluit mensen bij voorbaat al uit.
- Denk na over de context waarin je schrijft. Om wat voor tekst gaat het: een vacature, een lokale nieuwsbrief, een landelijk beleidsstuk, een brief aan buurtbewoners? Een journalistiek artikel vraagt bijvoorbeeld iets anders dan een beleidsstuk, en jongerentaal die in het ene geval werkt, kan in het andere geval mensen uitsluiten.
Aannames en stereotypen vermijden
Taal kan mensen in- of uitsluiten, ook wanneer je niet direct naar specifieke personen of groepen verwijst. Iedereen heeft stereotypen en vooroordelen in het hoofd zitten, zonder zich daar bewust van te zijn. En er zijn altijd dingen die je als vanzelfsprekend beschouwt en die je onbewust als uitgangspunt neemt bij het schrijven. Zulke aannames en stereotypen kunnen onbedoeld doorsijpelen in je tekst, zoals in de voorbeelden die je gebruikt en de precieze woorden die je kiest.
Kijk bijvoorbeeld eens naar de volgende zin: ‘Vertel je ’s avonds ook aan je partner en kinderen over wat er op je werk gebeurd is?’ Deze zin zal gek aanvoelen voor wie geen partner of kinderen heeft, of wie niet overdag werkt, of wie helemaal niet werkt.
Wees je er daarom altijd van bewust dat een tekst door allerlei mensen gelezen kan worden: mensen met verschillende leeftijden, genders, seksuele oriëntatie, etnische en culturele afkomst, levensstijlen, overtuigingen, woonplaatsen, thuissituaties, dagbestedingen, persoonlijkheden, enzovoort.
Waar je op kunt letten:
- Pas op met woorden als anders, andere, gewoon, vreemd, niet-… Bijvoorbeeld: ‘Ik eet gewoon vlees’ of ‘Die is anders geaard.’ Hiermee druk je een bepaalde grondhouding uit, namelijk dat het eten van vlees vanzelfsprekend is en dat heteroseksueel zijn de norm is.
- Pas op met woorden als nog, nog steeds, al, zelfs. Bijvoorbeeld: ‘Die is nog steeds single.’ Hiermee druk je uit een bepaalde verwachting uit, namelijk dat single zijn iets tijdelijks is of iets is wat ‘opgelost’ moet worden.
- Pas op met veralgemenende uitspraken met altijd, alles, iedereen en overal. Bijvoorbeeld: ‘Iedereen in de hoofdstad spreekt vloeiend Engels.’ Het is goed om je ervan bewust te zijn dat zulke stellige uitspraken waarschijnlijk niet écht voor iedereen gelden. Woorden als veel (mensen) en vaak zijn meestal een goed alternatief.
- Probeer stereotiepe denkbeelden over mensen niet te bevestigen of versterken. Dat kun je ook onbedoeld doen door stereotypen te ontkennen, zoals ‘Niet alle mensen uit het Gooi praten bekakt.’ Je lezers krijgen dan toch het beeld mee dat mensen uit het Gooi bekakt praten, ook al ontken je het met niet. In je hersenen winnen associaties het vaak van grammatica: zo’n woordje als niet wordt snel vergeten.
- Let op bij het gebruik van wij/we en onze. Bedenk wie je daarmee bedoelt, wie je lezers allemaal zouden kunnen zijn en of die twee overeenkomen. Met bewoordingen als onze moedertaal sluit je bijvoorbeeld mensen uit voor wie het Nederlands een tweede taal is.
- Beschrijf mensen zo veel mogelijk op een consistente en onderling vergelijkbare manier zonder in stereotypen te vervallen. Ga bij vrouwen bijvoorbeeld niet in op hun uiterlijk, als je dat bij anderen ook niet zou doen, zoals in: ‘De minister kwam
in een prachtige blauwe jurk en op hoge hakkende Tweede Kamer binnen.’ En laat persoonskenmerken weg als ze er niet toe doen, zoals in: ‘We kunnen toch komen vanavond, want we hebben eenmannelijkeoppas gevonden.’
Genderbewust schrijven
Bij genderbewust schrijven gaat het erom dat je in je taalgebruik rekening houdt met mensen van verschillende genders en niet bijvoorbeeld onbewust uitgaat van de man als standaard.
Waar je op kunt letten:
- Gebruik neutrale verwijswoorden als je verwijst naar ‘iemand in het algemeen’, in plaats van alleen hij, hem en zijn.
- Gebruik in een brief of mail een neutrale aanhef, in plaats van ‘Beste meneer/mevrouw’.
- Probeer inclusieve rolbenamingen te gebruiken, zeker als je het over een groep hebt, zoals ouders/verzorgers in plaats van papa’s en mama’s.
- Kies functietitels bewust. Dit kan bijvoorbeeld belangrijk zijn in een vacature. Kies je in zo’n geval voor adviseur, voor adviseur/adviseuse of voor adviseur (v/m/x)?
- Als je in een formulier of enquête wilt vragen naar iemands geslacht of gender, ga dan eerst na of het echt nodig is dat je dat weet. Vaak is het genoeg om te vragen hoe iemand aangeschreven wil worden. Geef bijvoorbeeld de keuze tussen meneer, mevrouw of voor- en achternaam. Vraag je toch naar gender, geef dan naast ‘man’ of ‘vrouw’ ook een derde optie, zoals ‘non-binair’ of ‘anders’.
Specifieke personen beschrijven
Als je mensen beschrijft, is het goed om na te gaan hoe je dat doet. Er zijn namelijk verschillende termen in gebruik (geweest) om te verwijzen naar mensen en hun eigenschappen, zoals afkomst, fysieke gesteldheid, gender, enzovoort. Bijvoorbeeld:
- allochtoon, persoon met een migratieachtergrond, bicultureel, migrant
- invalide, gehandicapte, persoon met een beperking, rolstoelgebruiker
- transseksueel, transgender, trans
Als het mogelijk is, vraag dan bij die personen zelf na welke term hun voorkeur heeft. Maar wees je ervan bewust dat wat voor een specifiek persoon opgaat, niet voor de hele groep hoeft te gelden. Er zijn mensen die de voorkeur geven aan gehandicapt, terwijl anderen de term beperkt passender vinden.
Verder is het aan te raden om bij specifieke (belangen)organisaties te achterhalen wat gangbare termen zijn. Als je nieuwere termen gebruikt die niet iedereen meteen zal begrijpen, is het een goed idee om die kort uit te leggen.
Waar je op kunt letten:
- Ga na of het zinvol of wenselijk is om mensen te omschrijven aan de hand van een specifiek kenmerk. Benoem het alleen als het iets toevoegt aan je tekst, zoals ‘Mert leerde van zijn Turkse opa het allerlekkerste recept voor köfte.’ Voor een zin als ‘De Turkse conductrice riep om dat de trein vertraging had’ geldt dat het in de meeste gevallen niet relevant is om te benoemen dat de conductrice Turks is.
- Probeer zo concreet mogelijk te zijn als je een kenmerk wel benoemt. Zeg bijvoorbeeld ‘de Egyptische cabaretier’ in plaats van ‘de Afrikaanse cabaretier’ of ‘de 28-jarige wethouder’ in plaats van ‘de jonge wethouder’.
- Let op dat je mensen op eenzelfde manier beschrijft. Benoem je alleen iemands voornaam, de volledige naam, of ook een titel? Wees daarin consistent.
- Inconsistent: ‘Directeur Petra Pronk opende de vergadering. Daarna nam Janny het woord.’
- Consistent: ‘Directeur Petra Pronk opende de vergadering. Daarna nam projectleider Janny Molen het woord.’
- Overweeg goed welke woordsoort of constructie je gebruikt om een persoonskenmerk te benoemen. Je kunt vaak kiezen uit een zelfstandig naamwoord (een autist), een woordgroep met een bijvoeglijk naamwoord (een autistische persoon), of een andere omschrijving (iemand met autisme). Welke constructie het best past, is contextafhankelijk.
Blij met deze uitleg?
Met een donatie van € 5 steun je Onze Taal. Bedankt!