Hoe beschrijf je iemand met een beperking?
Dat hangt af van de context en van degene(n) over wie je schrijft. Over het algemeen is aan te raden om zo concreet mogelijk te zijn.
Als je inclusief wilt schrijven, ga dan eerst na of het nodig of wenselijk is om iemands beperking te vermelden. Als dit niet zo is, kun je het beter weglaten om te voorkomen dat er te veel nadruk op komt te liggen.
Als je het wél wilt benoemen, is het aan te raden om zo specifiek mogelijk te zijn. Iemand kan een lichamelijke, zintuiglijke, mentale en/of verstandelijke beperking hebben.
Je kunt daarbij denken aan omschrijvingen als deze:
- een rolstoelgebruiker
- bezoekers in een rolstoel
- iemand met een auditieve beperking
- doven en slechthorenden
- een slechtziend persoon
- kinderen met ADHD
- mensen met downsyndroom
Zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord of andere omschrijving
Zoals je aan het rijtje hierboven ziet, kun je mensen op verschillende manieren aanduiden. Je kunt bijvoorbeeld een zelfstandig naamwoord gebruiken:
- een gehandicapte
- een dove
- een blinde
Het voordeel is dat dit het kort en duidelijk is. Het nadeel is dat de nadruk nu sterk ligt op de beperking als hét bepalende kenmerk van een persoon. Bovendien worden sommige van zulke zelfstandige naamwoorden als scheldwoorden gebruikt. Ze zijn in ieder geval meer beladen dan andere opties.
Als je dit wilt vermijden, kun je kiezen voor een algemeen zelfstandig naamwoord, gevolgd door een constructie met een voorzetsel of met een bijzin:
- een persoon met een handicap
- een kind met dyslexie
- een sporter die een beperking heeft
Je kunt ook het kenmerk als bijvoeglijk naamwoord vooropplaatsen. Het voordeel hiervan is dat je laat zien dat een beperking ook onderdeel kan zijn van iemands identiteit als mens, sporter, beroepsoefenaar, enzovoort. De persoon wordt daardoor niet ‘gereduceerd’ tot die ene eigenschap: de beperking. Bijvoorbeeld:
- een gehandicapte persoon
- een autistisch kind
- een blinde muzikant
De keuze om iemand met een zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord of met een bijzin of voorzetsel aan te duiden is niet eenvoudig. De voorkeuren van mensen over wie het gaat, lopen ook uiteen. Er zijn bijvoorbeeld mensen die zichzelf heel trots autist noemen, omdat ze dat kenmerk als een belangrijk deel van hun identiteit zien. Anderen vinden een bijvoeglijk naamwoord juist weer vriendelijker en minder hard of bepalend klinken.
Schrijf je over een specifieke persoon, vraag diegene dan welke term of formulering die het best vindt.
Misvattingen
Soms kun je in bepaalde woordkeuzes misvattingen terugzien die er bestaan rondom het hebben van een beperking. Enkele aandachtspunten op een rijtje:
- Mensen met een beperking zijn ook ‘gewoon’ mensen. Verwijs niet naar iemand met een beperking als een uitzondering. Let daarom woorden op met woorden als ondanks, toch of overwinnen, zoals in ‘Hij is ondanks zijn visuele beperking een heel optimistisch persoon.’
- Mensen met een beperking zijn geen slachtoffers. Probeer daarom woorden als lijden aan, strijdt tegen of slachtoffer van te vermijden, zoals in ‘Zij lijdt aan een auditieve beperking.’ Een beperking is een neutraal gegeven en zulke woorden zetten de beperking neer als iets negatiefs.
- Mensen met een beperking zijn niet per se helden. Het is daarom beter om eufemismen als ‘kanjer met kansen’ of ‘mensen met een uitdaging’ te vermijden.
Gevoelswaarde
Daarnaast is het goed om je bewust te zijn van met welke termen je naar iemands gesteldheid verwijst. De gevoelswaarde van woorden als handicap of beperking kan veranderen door de tijd heen. Zie ook het tabblad ‘Achtergrond’.
Blij met deze uitleg?
Met een donatie van € 5 steun je Onze Taal. Bedankt!
Veranderingen door de tijd heen
Handicap en beperking zijn allebei termen die je veel gebruikt ziet worden om iemands gesteldheid te omschrijven. Vroeger werden mensen met een beperking met andere woorden aangeduid dan nu gebruikelijk is. Er werd ook anders naar hen gekeken en die blik zag je terug in het woordgebruik. De stigmatisering van gehandicapten heeft ertoe geleid dat woorden voor die mensen een negatieve bijklank kregen. Om mensen toch ‘neutraal’ te omschrijven werden er nieuwe woorden bedacht, maar op den duur raakten ook die woorden weer ‘besmet’.
Gebrekkige was lange tijd een veelgebruikt woord om te verwijzen naar iemands gesteldheid. Het betekent letterlijk ‘met gebreken’ of ‘onvolkomen’. Dat klinkt natuurlijk niet heel positief en respectvol. Daarom werd het op zeker moment vervangen door invalide, een afgeleide van het woord valide, dat ‘gezond’ of ‘geldig’ betekent. Later kwamen de eufemistische termen mindervalide of andersvalide op, die toch ook wat neerbuigend overkomen. Al deze woorden zijn inmiddels wat verouderd. Ze zijn gaandeweg weer vervangen door het zelfstandig naamwoord gehandicapte.
Inmiddels is ook (een) gehandicapte, gebruikt als zelfstandig naamwoord, niet meer de meest geaccepteerde optie. Het wordt nog wel veel gebruikt, maar (onder andere) overheidsinstanties geven de voorkeur aan omschrijvingen als gehandicapte persoon, persoon met een handicap of persoon met een beperking. Doordat de beperking op deze manier niet als het bepalende onderdeel van iemands identiteit wordt gepresenteerd, komen zulke omschrijvingen minder stigmatiserend over.