Persoonskenmerk benoemen

In sommige gevallen is het niet nodig of wenselijk om een specifiek kenmerk te benoemen. Dan kun je het beter weglaten. Als je een persoonskenmerk wél wilt benoemen, kun je dat op drie manieren doen:

  • met een zelfstandig naamwoord: een autist, een demente, een Duitser
  • met een bijvoeglijk naamwoord: een autistische persoon, een demente vrouw, een Duitse student
  • met een bijzin of voorzetsel (een nabepaling): een persoon die autistisch is, een vrouw met dementie, een student die Duits is

Welke vorm de voorkeur heeft, kan per groep, per kenmerk en per persoon verschillen. Vraag daarom waar mogelijk na wat iemands eigen voorkeur is, of zoek op wat gangbaar is bij relevante organisaties of binnen de gemeenschap waarover het gaat.

Zo geven veel mensen binnen de transgemeenschap nu de voorkeur aan transgender mensen, terwijl veel mensen binnen de autismegemeenschap de voorkeur geven aan mensen met autisme. Binnen publieke communicatie, zoals vanuit de overheid, zie je dat er vaak wordt gekozen voor een van deze twee opties: een bijvoeglijk naamwoord of een nabepaling.

Zelfstandig naamwoord: een autist

Een zelfstandig naamwoord is de kortste optie. Het voordeel is dat de term vaak direct herkenbaar is. Een nadeel is dat je een persoon hiermee kunt ‘reduceren’ tot dat ene kenmerk of die specifieke status. Een autist kan bijvoorbeeld het idee geven dat autistisch zijn het enige of bepalende kenmerk is van die persoon, terwijl iemand meer is dan alleen dat. Daarbij roept het gebruik van zelfstandige naamwoorden sterkere stereotiepe associaties op.

Dit effect is niet bij alle zelfstandige naamwoorden even goed voelbaar. Dit komt doordat termen die betrekking hebben op de norm of de dominante groep – zoals Nederlander of christen – vaker als neutraal worden ervaren, terwijl vergelijkbare constructies bij minderheidsgroepen – zoals Marokkaan of jood – sneller als stigmatiserend of beperkend worden ervaren.

Daarbij hebben bepaalde zelfstandige naamwoorden een negatieve gevoelswaarde gekregen doordat ze soms als scheldwoord worden gebruikt, zoals homo of autist. De vorm versterkt op deze manier het stigmatiserende effect – door iemand onder één noemer te plaatsen, werkt het woord al snel denigrerend, ook als dat niet de bedoeling is.

Tegelijkertijd zijn er mensen met autisme die zichzelf juist graag autist noemen. Ook dan is het een goed idee om na te vragen of zij door anderen zo omschreven willen worden.

Bijvoeglijk naamwoord: een autistische persoon

Bij een beschrijving met een bijvoeglijk naamwoord plaats je het kenmerk voorop: een gehandicapte persoon, een homoseksuele man, de blinde vrouw. Een formulering met een bijvoeglijk naamwoord wordt vaak ingezet om vriendelijker of respectvoller te klinken.

Een kanttekening daarbij is dat zo’n wat voorzichtigere formulering in contrast kan komen te staan met hoe andere (groepen) mensen beschreven worden. Bijvoorbeeld: een joods persoon tegenover een christen, of hetero’s tegenover homoseksuele mensen. Zulke van elkaar verschillende formuleringen kunnen juist benadrukken dat er iets ‘aan de hand is’ met dat kenmerk. Als je dat wilt voorkomen, zorg dan dat je (groepen) mensen in ieder geval op een vergelijkbare manier beschrijft.

Andere omschrijving: iemand met autisme of iemand die autistisch is

Een andere manier om iemand te omschrijven is door eerst de persoon te benoemen, gevolgd door het kenmerk. Zo’n nabepaling kun je op twee manieren vormen:

  • met een voorzetsel, bijvoorbeeld iemand met diabetes, mensen van kleur, kind met autisme.
  • met een bijzin, bijvoorbeeld persoon die blind is, iemand die een rolstoel gebruikt, mensen die slechtziend zijn.

Een voordeel hiervan is dat je de persoon voorop plaatst en duidelijk maakt dat het kenmerk maar één deel is van de hele persoon. Een nadeel is dat zulke omschrijvingen meestal langer en omslachtiger zijn. Daardoor kan de tekst minder prettig leesbaar worden, vooral als je zo’n aanduiding meerdere keren in je tekst gebruikt.

Hieronder volgen enkele voorbeelden van formuleringen met verschillende woordsoorten en constructies. In plaats van persoon kun je allerlei woorden gebruiken, zoals mens, vrouw, kind, werknemer, man, leraar, collega enzovoort.

zelfstandig naamwoord

bijvoeglijk naamwoord

bijzin of voorzetsel (nabepaling)

een ADHD’er

-

een persoon met ADHD

een autist

een autistisch persoon

een persoon met autisme

een persoon die autisme heeft

een persoon die autistisch is

een beperkte

een beperkte persoon

een persoon met een (fysieke/verstandelijke) beperking

een persoon die (fysiek/verstandelijk) beperkt is

een bi(seksueel)

een biseksuele persoon

een persoon die bi(seksueel) is

een blinde

een blinde persoon

een persoon die blind is

een persoon met een visuele beperking/handicap

een dove

een dove persoon

een persoon die doof is

een persoon met een auditieve beperking/handicap

een gay

een gay persoon

een persoon die gay is

een gehandicapte

een gehandicapte persoon

een persoon met een handicap

een hbo’er

een hbo-geschoolde persoon

een hbo-opgeleide persoon

een persoon die hbo-geschoold is

een persoon die hbo-opgeleid is

een persoon met een hbo-diploma

een hetero(seksueel)

een heteroseksuele persoon

een persoon die hetero(seksueel) is

een homo(seksueel)

een homoseksuele persoon

een persoon die homo(seksueel) is

een kankerpatiënt(e)

-

een persoon met kanker

een persoon die kanker heeft

een lesbienne

een lesbische persoon

een persoon die lesbisch is

een mbo’er

een mbo-geschoolde persoon

een mbo-opgeleide persoon

een persoon die mbo-geschoold is

een persoon die mbo-opgeleid is

een persoon met een mbo-diploma

een migrant

een persoon met een migratieachtergrond

een persoon met een migratieverleden

een persoon die gemigreerd is

een slechthorende

een slechthorende persoon

een persoon die slechthorend is

een persoon met een auditieve handicap / beperking

een transgender

een trans

een transgender persoon

een trans persoon

een persoon die transgender is

een persoon die trans is

een queer

een queer persoon

een persoon die queer is

een verslaafde

een verslaafde persoon

een persoon met een verslaving

een persoon die verslaafd is

een witte

een witte persoon

een persoon met een witte huidskleur

een persoon die wit is

een wo’er

een wo-geschoolde persoon

een wo-opgeleide persoon

een persoon die wo-geschoold is

een persoon die wo-opgeleid is

een persoon met een wo-diploma

een zwarte

een zwarte persoon

een persoon met een zwarte huidskleur

een persoon die zwart is