Wat zijn de regels voor het gebruik van de tussen-n in bijvoorbeeld ruggengraat/ruggegraat?

 

De officiële spelling schrijft ruggengraat met een tussen-n voor. Wat ons betreft zijn ruggengraat en ruggegraat allebei goed te verdedigen.

De tussen-n

In veel samenstellingen en afleidingen gebruiken we een tussenklank: in bijvoorbeeld boeke(n)bon, panne(n)koek en wolke(n)loos is een uh-klank hoorbaar. Die klank wordt soms geschreven als een e en soms als en en wordt al lange tijd ‘de tussen-n’ genoemd. De officiële regel voor de tussen-n is: als het eerste deel alleen een meervoud heeft op -en en niet (ook) een meervoud op -es, schrijf je een tussen-n in de samenstellingen met dat eerste deel. Het is volgens deze regel ruggengraat (rug heeft alleen het meervoud ruggen). Daarnaast is het bijvoorbeeld aktetas (zonder tussen-n), omdat naast het meervoud akten ook aktes voorkomt.

Er zijn veel uitzonderingen op deze hoofdregel. De officiële regels staan in de Leidraad van het Groene Boekje. Wie bij de overheid en in het onderwijs werkt, moet deze regels volgen. Anderen hoeven dat niet.

Spellingwijzer Onze Taal

De officiële regels voor de tussen-n zijn ingewikkeld. Bij andere tussenklanken - zoals in vervoer(s)bewijs, land(en)naam en werktuig(e)lijk - bieden de officiële regels de taalgebruiker juist wél veel vrijheid. Wat ons betreft kan dat bij de tussen-n ook. Er zijn namelijk algemene handvatten die de meeste taalgebruikers hanteren bij de keuze voor een schrijfwijze met of zonder tussen-n. Die staan hieronder. De onderstaande punten zijn dus geen (goed-fout)regels. Ze zijn eerder een beschrijving van de praktijk.

Meestal wel een tussen-n als:

  • het geheel een vrij letterlijke, concrete betekenis heeft: boekenbon (‘bon om een of meer boeken mee te kopen’), hondenhok (‘hok voor een of meer honden’), kattenbak (‘bak waar een of meer katten gebruik van maken’; ‘kofferruimte in een auto’); schapenwolken (‘wolken die op schapen lijken’); krokodillentranen (‘tranen die krokodillen zouden huilen’);
  • meteen de gedachte ontstaat (of moet ontstaan) aan meer ‘concrete exemplaren’ van het eerste deel: gedachtenwisseling, kaartenbak, messenrek, secondenlang, tweefasenpil, zondenlijst;
  • het eerste deel een of meer personen aanduidt: artsenpost, bediendenverblijf, beloftenelftal, mensenhand, weduwenpensioen, ziekenwagen.

Meestal geen tussen-n als:

  • het eerste deel een abstract woord of een verzamelbegrip is dat geen meervoud heeft (of waarvan het meervoud ongebruikelijk is), zoals benzine, hel, rijst of tarwe: benzinepomp, hellevuur, rijstepap, tarwebrood;
  • het eerste deel geen zelfstandig naamwoord is, maar bijvoorbeeld een bijvoeglijk naamwoord, een werkwoordstam of een woordgroep met een naamvals-e: hogeschool, ingebrekestelling, jokkebrok, knarsetanden, lachebek, platteland, spinnewiel;
  • een deel van de samenstelling of de samenstelling als geheel niet meer in zijn oorspronkelijke letterlijke betekenis herkenbaar is of gebruikt wordt: apekool, bakkebaard, bolleboos, hanepoten (‘onbeholpen handschrift’), het regent pijpestelen, ruggespraak, schattebout;
  • meteen de gedachte ontstaat (of moet ontstaan) aan één ‘concreet exemplaar’ van het eerste woord: kerkeraad, ruggegraat, zieleheil;
  • het woord eindigt op -lijk, -achtig, -lings of -ling: amfetamineachtig, beurtelings, ellendeling, gunsteling, landelijk, ruggelings, sekteachtig;
  • het woord eindigt op -loos: achteloos, hopeloos, vormeloos, vreugdeloos, maar:
    • als bij een woord op -loos meteen de gedachte ontstaat (of moet ontstaan) aan meer ‘concrete exemplaren’ van het eerste deel, is -en- het gebruikelijkst: ideeënloos, orchideeënloos, conceptenloos;
    • -en- schrijven kan het geheel soms iets letterlijker maken: grenzeloos optimistisch (‘oneindig’), grenzenloos (‘zonder grenzen’), vruchteloos proberen (‘zonder resultaat’), vruchtenloos (‘zonder vruchten’), een wolkeloze toekomst (‘zorgeloos, stralend, zonder angstige vooruitzichten’), wolkenloos (‘zonder wolken’).