Wat zijn de regels voor het gebruik van de tussen-n in bijvoorbeeld ruggengraat/ruggegraat?

De officiële spelling schrijft ruggengraat met een tussen-n voor. Wat ons betreft zijn ruggengraat en ruggegraat allebei goed te verdedigen.

De tussen-n

In veel samenstellingen en afleidingen gebruiken we een tussenklank: in bijvoorbeeld boeke(n)bon, panne(n)koek en wolke(n)loos is een uh-klank hoorbaar. Die klank wordt soms geschreven als een e en soms als en. In de officiële spelling bestaan er vaste regels voor het schrijven van deze e of en. In de Spellingwijzer Onze Taal, onze eigen spellinggids, wordt de taalgebruiker meer vrijheid geboden.

Officiële spelling

De officiële regels vindt u in de Leidraad van het Groene Boekje. Wie bij de overheid en in het onderwijs werkt, moet deze regels volgen.

Spellingwijzer Onze Taal

In de Spellingwijzer Onze Taal is het wel of niet schrijven van de tussen-n een vrije kwestie: er gelden geen vaste voorschriften voor. De taalgebruiker kan wat ons betreft gerust afgaan op zijn eigen taalgevoel, net als bij de tussenklanken in vervoer(s)bewijs, land(en)naam en werktuig(e)lijk. Bij deze laatste drie voorbeelden mag dat officieel overigens ook: voor de tussen-s, tussen-e en tussen-en zijn er geen vaste officiële regels.

Er zijn enkele handvatten die taalgebruikers hanteren bij de keuze voor een schrijfwijze met of zonder tussen-n. Die staan hieronder. De onderstaande punten zijn dus geen (goed-fout)regels; ze zijn eerder een beschrijving van de praktijk.

Meestal wel een tussen-n als:

  • het geheel een vrij letterlijke, concrete betekenis heeft: boekenbon ('bon om een of meer boeken mee te kopen'), hondenhok ('hok voor een of meer honden'), kattenbak ('bak waar een of meer katten gebruik van maken'), schapenwolken ('wolken die op schapen lijken'); krokodillentranen ('tranen die krokodillen zouden huilen');
  • meteen de gedachte ontstaat (of moet ontstaan) aan meer 'exemplaren' van het eerste deel: gedachtenwisseling, kaartenbak, messenrek, secondenlang, tweefasenpil, zondenlijst;
  • het eerste deel een of meer personen aanduidt: artsenpost, bediendenverblijf, beloftenelftal, mensenhand, weduwenpensioen, ziekenwagen.

Meestal geen tussen-n als:

  • het eerste deel een abstract woord of een verzamelbegrip is dat geen meervoud heeft (of waarvan het meervoud ongebruikelijk is), zoals benzine, hel, rijst of tarwe: benzinepomp, hellevuur, rijstepap, tarwebrood;
  • het eerste deel geen zelfstandig naamwoord is, maar bijvoorbeeld een bijvoeglijk naamwoord, een werkwoordstam of een woordgroep met een naamvals-e: hogeschool, ingebrekestelling, jokkebrok, knarsetanden, lachebek, platteland, spinnewiel;
  • een deel van de samenstelling of de samenstelling als geheel niet meer in zijn oorspronkelijke letterlijke betekenis herkenbaar is of gebruikt wordt: apekool, bakkebaard, bolleboos, hanepoten ('onbeholpen handschrift'), het regent pijpestelen, ruggespraak, schattebout;
  • meteen de gedachte ontstaat (of moet ontstaan) aan één 'exemplaar' van het eerste woord: kerkeraad, ruggegraat, zieleheil;
  • het woord eindigt op -lijk, -achtig, -lings of -ling: amfetamineachtig, beurtelings, ellendeling, gunsteling, landelijk, ruggelings, sekteachtig;
  • het woord eindigt op -loos: achteloos, hopeloos, vormeloos, vreugdeloos, maar:
    • als bij een woord op -loos meteen de gedachte ontstaat (of moet ontstaan) aan meer 'exemplaren' van het eerste deel, is -en- het gewoonst: ideeënloos, orchideeënloos, conceptenloos
    • -en- schrijven kan het geheel soms iets letterlijker maken: grenzeloos optimistisch ('oneindig'), grenzenloos ('zonder grenzen'), vruchteloos proberen ('zonder resultaat'), vruchtenloos ('zonder vruchten'), een wolkeloze hemel ('onbewolkt, blauw'), wolkenloos ('echt zonder wolken').