Wat is een betrekkelijk voornaamwoord?

Een betrekkelijk voornaamwoord verbindt twee zinnen met elkaar. De zinnen ‘Het boek wordt prachtig’ en ‘Ik schrijf dat boek’ kunnen met het betrekkelijk voornaamwoord dat met elkaar verbonden worden tot ‘Het boek dat ik schrijf, wordt prachtig.’ Het stukje dat ik schrijf heet een betrekkelijke bijzin.

Het betrekkelijk voornaamwoord heeft een verwijzende en een grammaticale functie. Dat verwijst bijvoorbeeld naar het boek, maar het is ook het lijdend voorwerp in de bijzin ‘dat ik schrijf’.

Datgene waarnaar een betrekkelijk voornaamwoord verwijst, heet het antecedent. Dat kan één woord zijn, maar ook een hele zin. Het boek is het antecedent van dat in de zin ‘Het boek dat ik schrijf, wordt prachtig.’ In een boom die vroeg bloeit is een boom het antecedent van die. In ‘Fenna speelt fijn, wat ik leuk vind’ is de zin ‘Fenna speelt fijn’ het antecedent van wat. 

Soms zit het antecedent in het betrekkelijk voornaamwoord zelf ‘ingesloten’, zoals in ‘Wat je vertelt, is geweldig!’ Wat betekent dan in feite ‘dat wat’ of ‘datgene wat’.

Soorten betrekkelijke voornaamwoorden

Die

Die verwijst naar de-woorden en meervoudsvormen.

  • De sollicitant die als eerste reageerde, was ook de beste.
  • Er zijn mensen die al dertig jaar lid zijn van Onze Taal.

Wie

Wie is het meewerkend voorwerp in de bijzin en verwijst naar personen. Het komt niet zo veel meer voor: meestal wordt die of aan wie gebruikt. 

  • De rechters wie de vraag was voorgelegd, spraken zich duidelijk uit.

Dat

Dat verwijst naar het-woorden.

  • Het boek dat ik lees, is erg spannend.
  • De stagiair vertelde enthousiast over het plan dat hij ’s nachts bedacht had.
  • Het meisje dat piloot wil worden, zit naast Jaap.

Het meisje die komt in spreektaal ook vaak voor, maar dat vindt lang niet iedereen acceptabel.

Wat

Wat verwijst naar hele zinnen.

  • Fenna wilde graag naar de speeltuin, wat haar moeder een uitstekend idee vond.

Wat/dat

Naar onbepaalde woorden en overtreffende trappen is zowel een verwijzing met wat als met dat juist.

  • Het enige dat/wat ik wil, is een weekje vakantie.
  • Ze zegt niets dat/wat we nog niet wisten.
  • Het spannendste dat/wat ik ooit heb gedaan, was bungeejumpen. 

Wie/wat

Wie en wat kunnen aan het begin van een zin staan, zonder dat er een antecedent aan voorafgaat. Wie betekent dan ‘degene die’, en wat ‘dat wat’.

  • Wie niet mee wil doen, kan hier op ons wachten.
  • Wat hij zegt, is volslagen onzin.

Welke

Welke kan van oudsher ook naar de-woorden en meervoudsvormen verwijzen, maar is in de meeste gevallen te formeel: ‘U vindt hier de bedrijven welke in uw land actief zijn.’ Die is hier beter. Naar het-woorden kan nooit met welke worden verwezen.

Hetwelk en hetgeen

Hetwelk en hetgeen zijn verouderd. Hetwelk kan naar een het-woord of naar een hele zin verwijzen. Het kan beter worden vervangen door dat of wat. Hetgeen verwijst naar een hele zin, of heeft een ingesloten antecedent. Het kan beter worden vervangen door wat.

  • Het Genootschap Onze Taal, hetwelk in 1931 werd opgericht, is de grootste taalvereniging ter wereld. (liever: dat)
  • Zij beweerde slechts vier uur slaap per nacht nodig te hebben, hetwelk ook bleek toen ik haar beter leerde kennen. (liever: wat)
  • Zijn beweringen stemmen niet overeen met hetgeen er die dag gebeurde. (liever: wat)

Volgens welke

Hierboven staan de zelfstandige betrekkelijke voornaamwoorden. Daarnaast kent het Nederlands van oudsher het niet-zelfstandige betrekkelijk voornaamwoord welk(e). Het komt eigenlijk alleen nog voor in formele, vaak juridische taal: ‘Hier ziet u de zitkamer, in welke ruimte dure schilderijen hangen’, ‘De bepaling volgens welke u recht hebt op een uitkering, is gewijzigd.’ Gewoner is bijvoorbeeld: ‘Hier ziet u de zitkamer, waar dure schilderijen hangen’, ‘De bepaling op grond waarvan u recht hebt op een uitkering, is gewijzigd.’