Wat is juist: ‘Wie gaat er mee?’ of ‘Wie gaan er mee?’ 

Beide zinnen zijn juist. Als wie het onderwerp van de zin is, kan de persoonsvorm zowel in het enkelvoud als in het meervoud staan. 

Het enkelvoud (‘Wie gaat er mee?’) is het gebruikelijkst. Het maakt daarbij niet uit of degene die de vraag stelt, verwacht dat er één persoon meegaat of meerdere personen; het is meer een soort algemene vraag. Voorbeelden: ‘Wie wil er nog thee?’, ‘Wie doet nu zoiets?’

Het meervoud (‘Wie gaan er mee?’) komt vooral voor in een context waarin je verwacht – of zelfs al weet – dat het om meerdere mensen gaat. Bijvoorbeeld: ‘Wie komen er ook alweer vanavond?’, ‘Wie van jullie hebben er allemaal zin en tijd om mee te gaan?’

Naamwoordelijk gezegde

Bij zinnen met een koppelwerkwoord (zoals zijn of worden) past het werkwoord zich vaak aan aan het naamwoordelijk deel van het gezegde

  • Wie is die man daar?
  • Wie zijn die mensen daar?
  • Wie wordt de nieuwe directeur?
  • Wie worden de nieuwe redactiemedewerkers?
  • Wie ben jij?
  • Wie zijn jullie?