Print deze pagina

Koppelwerkwoord

Wat wordt bedoeld met de term 'koppelwerkwoord'?

Een koppelwerkwoord is een werkwoord dat voorkomt in zinnen met een naamwoordelijk gezegde. In bijvoorbeeld 'Ik ben blij' gaat het om iets wat de 'ik' is (namelijk: blij). In deze zin is ben het koppelwerkwoord; blij is het naamwoordelijk deel van het gezegde.

Koppelwerkwoorden 'koppelen' het onderwerp aan een toestand, functie, hoedanigheid of eigenschap. Het gaat er bij koppelwerkwoorden dus altijd om dat het onderwerp iets ís. De bekendste koppelwerkwoorden zijn zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen, heten, dunken en voorkomen. In onderstaande voorbeelden is steeds het hele naamwoordelijk gezegde gecursiveerd.

  1. Zij is voorzitter.
  2. Mijn vriend wordt leraar.
  3. Mijn tante blijft op de hoogte van de laatste ontwikkelingen.
  4. De uitslag bleek al bij iedereen bekend.
  5. Het huis leek onbewoond.
  6. Zijn broer scheen nogal slim.
  7. Sporten heet gezond, maar ondertussen ...
  8. Dat dunkt me geloofwaardig.
  9. Zij komt me erg gespannen voor.

In de betekenissen 'bestaan, zich bevinden' is zijn geen koppelwerkwoord, maar een zelfstandig werkwoord: 'Er zijn mensen die dit moelijk vinden', 'Ik ben op kantoor.' Ook blijven kan als zelfstandig werkwoord gebruikt worden: 'Hij bleef liever in Frankrijk.'
Er zijn nog meer werkwoorden die als koppelwerkwoord gebruikt kunnen worden; in dat geval wordt zo'n werkwoord ook wel 'vervangend koppelwerkwoord' genoemd. de Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS, 1997) noemt gaan, komen, lopen, raken, staan, vallen en zitten:

  1. Je computer gaat op die manier kapot.
  2. Zo komt je huiswerk nooit af.
  3. Mijn band loopt langzaam leeg.
  4. Mijn broertje raakte beklemd tussen de spijlen van de trap.
  5. Zij staat bekend als uitstekend actrice.
  6. Het afscheid viel hem zwaar.
  7. Dat zit niet goed.

Verwante adviezen

Trefwoorden

terug
voorjaarsbanner

banner ITV

taalkalender