Hulpwerkwoorden zijn werkwoorden die bijvoorbeeld iets zeggen over de tijd waarin de zin staat, maar ze kunnen ook de mening van de spreker weergeven (dat laatste wordt ‘modaliteit’ genoemd). In een zin kunnen meerdere hulpwerkwoorden staan; één daarvan is de persoonsvorm van de zin. Het hulpwerkwoord ‘helpt’ het hoofdwerkwoord. Dat kan zowel een zelfstandig als een koppelwerkwoord zijn. 

  • Ik heb vorige week mijn verjaardag gevierd. (heb is het hulpwerkwoord, gevierd is het hoofdwerkwoord)
  • Hij zou zich uit zo'n situatie wel hebben weten te redden. (zou, hebben en weten zijn hulpwerkwoorden, redden is het hoofdwerkwoord)
  • Zij wil later dokter worden. (wil is het hulpwerkwoord, worden is het hoofdwerkwoord)

Er zijn verschillende soorten hulpwerkwoorden; het bekendst zijn de hulpwerkwoorden van tijd (zijn en hebben), die gebruikt worden om de voltooide tijd te vormen, en de hulpwerkwoorden van de lijdende vorm (zijn en worden), waarmee de lijdende vorm (passieve vorm) wordt gevormd. Daarnaast zijn er hulpwerkwoorden van modaliteit of modale hulpwerkwoorden (zullen, kunnen, mogen, moeten, willen). Die geven, globaal gezegd, aan of het hoofdwerkwoord als wenselijk, mogelijk, waarschijnlijk (enz.) gezien wordt.

  • Jan plakt zijn band. (zelfstandig werkwoord)
  • Jan heeft zijn band geplakt. (hulpwerkwoord van tijd)
  • De band wordt door Jan geplakt. (hulpwerkwoord van de passieve vorm)
  • Jan kan de band plakken. (modaal hulpwerkwoord)

Er zijn ook nog andere werkwoorden die als hulpwerkwoord gebruikt worden; deze hebben geen speciale naam.

  • Jan gaat zijn band plakken.
  • Ik laat nog weten hoe laat ik kom.

Toch nog een vraag?

Onze taaladviseurs staan elke werkdag voor je klaar

Bel 085 00 28 428 Bel 085 00 28 428

(gebruikelijke belkosten, geen extra kosten)

Of stel je vraag via social media of per mail