Wat is juist: dat lijdt geen twijfel of dat leidt geen twijfel?

Dat lijdt geen twijfel is juist. Er staat letterlijk ‘er is geen ruimte voor twijfel’, met andere woorden: ‘het is zeer duidelijk’.

Lijden: ‘toestaan’, ‘verdragen’, ‘schade/pijn hebben’

  • Het lijdt geen twijfel dat over de beste opvoedmethode verschillend wordt gedacht.
  • De wind is best hard, maar we zullen heus geen schipbreuk lijden.
  • Ze vindt het vreselijk gezichtsverlies te lijden.
  • Ik mag lijden dat hij zelf ook eens een keer wordt afgeblaft.
  • Ik weet dat jij haar vervelend vindt, maar ik kan haar wel lijden.
  • Sommige mensen lijden armoede terwijl niemand dat doorheeft.

Leiden: ‘voeren, brengen’, ‘besturen’, ‘de leiding hebben’

  • Ze liet zich leiden door eigenbelang.
  • Ik ben om de tuin geleid.
  • We leiden allemaal een druk leven.
  • Wie leidt de vergadering vandaag?
  • Het Nederlands elftal leidt met 1-0 dankzij een doelpunt van Malen.

De keuze voor de ij of de ei kun je vaak niet beredeneren. Hieronder staat daarom een lange lijst woorden waarbij je zou kunnen twijfelen over de ei/ij.

Met lange ij is juist:

  • aaneenrijgen
  • abdij
  • accijns
  • afgrijzen
  • afwijken
  • afwijzen
  • afzijdig
  • alexandrijn
  • allerijl (in allerijl)
  • amandelspijs
  • andijvie
  • anijs
  • appetijtelijk
  • aquamarijn
  • averij
  • bangeschijter
  • beddentijk
  • begijn
  • beklijven
  • belijden
  • benedijen
  • benijden
  • benijdenswaardig
  • berijden (= rijden op)
  • berijpt (= met rijp bedekt)
  • bestrijden
  • iemand laten betijen
  • betwijfelen
  • iemand bevrijden
  • bezijden de waarheid
  • billijken (= goedkeuren)
  • bijt (‘een vreemde eend in de bijt’)
  • bijten
  • boerderij
  • bombazijn
  • bramzijgertje
  • brandbijt
  • brij
  • brijig
  • brijpot
  • celestijner
  • chagrijn
  • cherubijn
  • deurstijl
  • dij
  • dijenkletser
  • dodijnen
  • dolfijn
  • doodtij
  • doordrijven (‘zijn zin doordrijven’)
  • doorzijgen (= filtreren)
  • dozijn
  • eendenbijt
  • eenzijdig
  • eregalerij
  • fijfel (= dwarsfluit)
  • fijmelen (= femelen)
  • fijt (= ontsteking in vingerkootje)
  • filistijnen
  • frijnen (= steenhouwerstechniek)
  • gebenedijd
  • gedijen (‘gestolen goed gedijt niet’)
  • geijkt
  • gekijf
  • gekwijl
  • geldsmijterij
  • gelijkzijdig
  • gelukstijding
  • gemijterd (= een mijter dragend)
  • gepolijst
  • getij
  • getijde
  • getijgerd (= gevlekt als een tijger)
  • in het gevlij komen
  • gewijd
  • gijn (= takel)
  • gijnbalk
  • gijpen (= zeilterm)
  • gijzelaar
  • girondijn
  • gladstrijken
  • grijns
  • grijnzen
  • habijt
  • hardlijvigheid
  • harlekijn
  • harpij
  • hermelijn
  • hongerlijder
  • hoogtijdagen
  • hooimijt (= hooischelf)
  • hooirijf (= hooihark)
  • hijgen
  • hijs ('een hele hijs')
  • hijsen
  • ijdel(heid)
  • ijken (= toetsen aan eisen, waarmerken)
  • ijkpunt
  • ijselijk
  • ijs en weder dienende
  • ijver
  • ijveren voor
  • ijzig
  • inlijsten
  • inwijden
  • inwijdingsfeest
  • inwrijven
  • jakobijn
  • kandij
  • kapsoneslijer
  • kapucijner (= peulvrucht, monnik)
  • kapucijnaap
  • karabijn
  • karmijnrood
  • karmozijn
  • karwij (= bepaalde plant)
  • kastijden
  • kastijding
  • katzwijm (‘in katzwijm vallen’)
  • kijf (‘dat staat buiten kijf’)
  • kijven
  • komijnekaas
  • kopij
  • kozijn
  • krijsen
  • krijt
  • Krijt (= tijdperk)
  • krijtperiode
  • krijtrots
  • kristallijnen
  • kwijlen
  • kwijten
  • kwijting
  • lamijnen (= zeurderig spreken)
  • librije (= oude kerk- of kloosterbibliotheek)
  • lij (‘in de lij liggen’, ‘iemand in de lij brengen’)
  • lijden (= ondergaan; ‘het lijdt geen twijfel’, ‘een nederlaag lijden’, ‘schipbreuk lijden’)
  • lijden (‘iemand graag mogen lijden’)
  • lijp (= niet goed snik, gek)
  • lijperd, lijpo
  • lijst (= opsomming, schilderijlijst, deurlijst)
  • lijster
  • lijve (aan den lijve ondervinden)
  • lijzijde
  • magazijn
  • marlijn (= soort zwaardvis)
  • marokijnen
  • mastgijn
  • mijden (= ontwijken)
  • mijmeren
  • (het) mijn en (het) dijn
  • mijt (= diertje)
  • mijter
  • naijleffect
  • naijverig
  • neersijpelen
  • neervlijen
  • neerzijgen
  • negorij (ook: negerij)
  • nijdas
  • nijgen (= buigen)
  • nijging (= groet met een buiging)
  • nijpend
  • nijptang
  • nijver
  • nijverheid
  • norbertijnenabdij
  • olijf, olijftak
  • omlijsten
  • ommezijde
  • onappetijtelijk
  • onbetwijfelbaar
  • onderwijl
  • onderzijde
  • ongelijkzijdig
  • ongepolijst
  • ontmijnen (= van mijnen ontdoen)
  • ontwijden (= ontheiligen)
  • onverwijld
  • oorvijg
  • openrijten
  • ophijsen
  • opvijzelen
  • overschrijden
  • pij (= kledingstuk)
  • pijl (om mee te schieten)
  • pijler (= steunpilaar)
  • prij (= kwaadaardige vrouw)
  • prijken (‘haar naam prijkte bovenaan de lijst’)
  • pupilverwijding
  • rijgen
  • rijk
  • rijp
  • rijven (= harken)
  • rijzen (= omhooggaan)
  • rozemarijn
  • satijn
  • schrijlings
  • schrijnend
  • slijmen
  • slijmvlies
  • slijpen
  • slijten
  • spijs
  • splijten
  • stampij, stampei (beide mogelijk)
  • stijfsel
  • stijgen
  • stijl (= manier; ‘dat is geen stijl’, ‘klassieke stijl’)
  • stijltang (= stylingtang - niet te verwarren met steiltang)
  • stoïcijns
  • strijken (‘met de hand over het hart strijken’)
  • tapijt
  • tij (het tij keren)
  • tijding (= bericht)
  • tijk (= een soort stof)
  • tijm, tijmhoning, tijmsiroop
  • twijg
  • uitdijen
  • uitwijden (= wijder maken, worden)
  • uitwijken
  • ultramarijn
  • verbrijzelen
  • vermaledijd
  • verstrijken (‘de tijd verstrijkt’)
  • verwijden (= wijder maken)
  • verwijderen
  • vijg
  • vijlen (= met een vijl (be)werken)
  • vlijen (= neerleggen; ‘zich neervlijen op het gras’)
  • vlijmscherp
  • vlijt, vlijtig
  • vrijen, vrijpartij, vrijage
  • weerszijden
  • wereldwijd
  • wijl (‘een korte wijl’, ‘bij tijd en wijle’)
  • wijd (‘iets wijds dragen’, ‘de wijde wereld in trekken’)
  • wijden (= door zalving inhuldigen)
  • wijden aan (= in dienst stellen van, (aandacht) besteden aan)
  • wijdverbreid
  • wijken (‘van geen wijken weten’)
  • zelfkastijding
  • het zij zo, hoe dit ook zij, wat dies meer zij

Met korte ei is juist:

  • aambei
  • aanlegsteiger
  • aanreiken
  • aardbei
  • achteruitdeinzen
  • afgepeigerd
  • afleiden
  • afscheid
  • afwasteil
  • afzeiken
  • akelei (= plant)
  • asjeweine
  • bakkeleien
  • bakzeil halen
  • balein
  • beddensprei
  • begeleiden
  • beiaard
  • beiden (‘beidt/beid uw tijd’)
  • beider (‘u beider aanwezigheid’)
  • beiderlei
  • beieren
  • beitel
  • beits
  • bepleistering
  • bepleiten
  • bereiden (‘klaarmaken’)
  • boekweit
  • breidelen
  • breien
  • breigaren
  • caleidoscopisch
  • cichorei
  • contreien
  • deimt (= halve hectare)
  • deinen, deining
  • dieptepeilen (= de diepte van het water peilen)
  • dopheide
  • dreinen
  • drieërlei
  • dweil, dweilen
  • enerlei
  • (op) enigerlei (wijze)
  • feilbaar
  • feilen (= zich vergissen, tekortschieten)
  • feilloos
  • feit (= iets wat vaststaat of gebeurd is)
  • fontein
  • futiliteit
  • galei, galeislaaf
  • gebakkelei
  • gebeier
  • gedrein
  • geheid (= zeer vast, duidelijk)
  • geigerteller
  • geilen (= seksuele lust hebben)
  • geintje (= grapje)
  • geiser
  • geisha
  • gelei
  • geleidehond
  • geschrei
  • geteisem
  • getreiter
  • geveinsd
  • gevlei (= vleierij)
  • gevleid
  • gewei (= stel hoorns)
  • gezeik
  • gezichtseinder
  • glühwein
  • greintje
  • hakbeitel
  • halsreikend
  • heibeien (= tieren)
  • heibel (schoppen)
  • heide, heidelandschap
  • heiden
  • heien (= met een heiblok instampen)
  • heiig
  • heikel
  • heikneuter
  • heilloos
  • heilstaat
  • heilwens
  • heimachine
  • heimat
  • heimwee
  • heisa
  • herleiden
  • inbreien
  • inheien
  • inleiden
  • inseinen
  • karwei (= klus)
  • kassei, kasseiweg
  • kastelein
  • keilen (= gooien)
  • keilbout
  • kleiduif
  • kleien
  • kleiig
  • klepzeiken, klapzeiken
  • koddebeier
  • konterfeitsel
  • labbeien (= babbelen)
  • lakei
  • lamprei (= jong konijn, bepaalde vis)
  • leiband
  • leidekker
  • leiden (= brengen, (aan)voeren; ‘dit leidt nergens toe’, ‘ik leid een zomerkamp’)
  • leidmotief, leitmotiv
  • leidsels
  • leidsman
  • leidsvrouw
  • leigrijs
  • leisteen
  • leverpastei
  • livrei
  • Magere Hein
  • Maleier (zo dronken als een -)
  • marjolein (= bepaalde plant)
  • marsepein
  • meedeinen
  • meiboom
  • meieren
  • meikever
  • melkwei
  • moerbei
  • neigen (= overhellen; ‘geneigd zijn tot iets’)
  • neiging (‘de neiging hebben tot iets’)
  • omheinen
  • ongebreideld
  • ontoereikend
  • ontweien (= schoonmaken voor bereiding)
  • pastei
  • peil (= niveau; waterpeil, ‘ergens geen peil op kunnen trekken’)
  • peilen (‘de diepte peilen’, ‘de markt peilen’, ‘iemand niet kunnen peilen’)
  • peinzen
  • plaveien
  • pleidooi
  • pleister
  • poppedeine
  • porselein
  • postelein (groente)
  • prei (= groente)
  • rammeien (= met een stormram inrammen)
  • reidans
  • reiger (= vogel)
  • reiken naar
  • reikhalzend
  • reikwijdte
  • reilen en zeilen
  • reinheid
  • schreien
  • spelemeien (‘voor zijn plezier naar buiten gaan’)
  • sprei
  • spreiden
  • stampei, stampij (beide mogelijk)
  • steiger (= stellage, stelling; aanlegplaats)
  • steil (= loodrecht (afhangend), 'steil haar', 'ergens steil van achterover slaan')
  • steilorig (= met steile oren, koppig)
  • steiltang (= tang om haar te ontkrullen - niet te verwarren met stijltang)
  • teil
  • terugdeinzen
  • toereikend
  • treiteren
  • uilezeik, uilenzeik
  • uitweiden over (= uitvoerig spreken over)
  • vakantiespreiding
  • vallei
  • veil (= omkoopbaar, beschikbaar)
  • veilen (= te koop aanbieden)
  • veiling
  • veinzen
  • verbreiden
  • vermeien (= zich vermaken)
  • vleien (= overdreven prijzen)
  • weiden (= (laten) grazen)
  • weids
  • weifelen
  • weigeren
  • weitas
  • zeiken
  • zeilen
  • zeis
  • zweien (= haaks zetten)