Uitwijden = ‘wijder of breder maken/zijn’

Het werkwoord uitwijden (‘wijder of breder maken of zijn’) komt zelden voor. Het bestaat uit het voorzetsel uit en het werkwoord wijden, een afleiding van het bijvoeglijk naamwoord wijd. Een paar voorbeelden:

  • Door de hitte wijden de buizen uit.
  • De muizen hadden een gaatje in het hout geknabbeld en dat gat al snel uitgewijd zodat ze erdoor konden
  • De schaduwstrook op het plein was al flink uitgewijd toen ze eindelijk weer naar buiten kwam.

Uitweiden = ‘uitvoerig praten over’

Uitweiden, betekent ‘lang over iets praten’. Het is afgeleid van weide. De oorspronkelijke betekenis is ‘buiten de weide voedsel zoeken’. Daaruit is de figuurlijke betekenis ‘van de hoofdzaak afdwalen’ ontstaan, die weer geleid heeft tot ‘uitvoerig bespreken’. Voorbeelden:

  • De leerkracht weidde enthousiast uit over het muziekproject.
  • Tijdens de vergadering werd uitgeweid over de aanleg van een glasvezelnetwerk.

Vaak komt uitwijden voor, terwijl uitweiden bedoeld is (‘De minster wijdde uit over ...’, terwijl het moet zijn: ‘De minister weidde uit over ...’). Dit is overigens geen nieuw verschijnsel: al in de negentiende eeuw werd gediscussieerd over de juiste spelling van dit werkwoord, en al in de achttiende eeuw kwam de schrijfwijze uitwijden voor in de betekenis ‘uitvoerig bespreken’. Waarschijnlijk komt de verwarring ook doordat inwijden (‘in gebruik nemen’, ‘iemand vertellen over bepaalde geheimen’) met een lange ij is.

Toch nog een vraag?

Onze taaladviseurs staan elke werkdag voor je klaar. Neem contact op via

Bel 085 00 28 428 van 9.30 tot 12.00 uur (op donderdag tot 11.00 uur) en van 13.30 tot 16.00 uur Bel 085 00 28 428 van 9.30 tot 12.00 uur (op donderdag tot 11.00 uur) en van 13.30 tot 16.00 uur

(gebruikelijke belkosten, geen extra kosten)

Of stel je vraag via social media of per mail