Stel je voor dat je een tijdmachine had waarmee je het schoolplein of de studentenvereniging uit je jongere jaren nog eens kon bezoeken. Zou je het taalgebruik van toen herkennen? Weet je nog welke woorden je moet gebruiken om er helemaal bij te horen? En hoe leuk zou het zijn als je nog verder terug kon gaan in de tijd om te horen hoe de taal van je ouders klonk, en die van hún ouders?
De Boekenweek 2026 rolt met het thema ‘Mijn generatie’ de rode loper uit voor de taal van elke generatie, van mensen die de eerste tv’s in de huizen hebben zien komen tot de tieners van nu, die opgroeien met smartphones en AI. Elke generatie heeft immers haar eigen modewoorden en taaltrends, die heel veel zeggen over de tijd waarin iemand is opgegroeid. Wie een bepaalde generatie wil begrijpen, moet dus ook naar haar taalgebruik kijken. Maar hoe kom je de taaleigenaardigheden van elke generatie op het spoor? Dat is best een uitdaging, want veel oudere generaties herinneren zich vooral de meest opvallende modewoorden uit hun tijd. Mieters, blits of kicken bijvoorbeeld.
Toch kun je wel een grove schets maken. Onze Taal verzamelde de modewoorden van de verschillende generaties met hulp van de lezers, en verrichtte aanvullend speurwerk. De woorden die uit die inventarisatie naar voren kwamen, vind je in de illustraties verspreid over deze pagina’s.
Reis mee in onze tijdmachine: hoe klonk de jongerentaal toen, en hoe klinkt die nu?
De vroegste jongerentaal
Taal verandert constant; dat is iets van alle tijden. Maar de behoefte van jongeren om zich in hun taalgebruik bewust af te zetten tegen volwassenen, is vooral in de afgelopen honderd jaar ontstaan. De grootschalige opkomst van jongerentaal vond plaats halverwege de twintigste eeuw, grofweg vanaf de late jaren vijftig, en hing samen met een aantal maatschappelijke ontwikkelingen.
Vrijheid in liefde, opvoeding en taal kenmerkte het naoorlogse tijdperk. Door jeugdbewegingen als de nozems, provo’s en hippies werd taalgebruik brutaler en jovialer dan dat van vooroorlogse generaties. Het keurige Algemeen Beschaafd Nederlands (ABN) van het Polygoonjournaal was immers niet echt geschikt om een sociale identiteit mee uit te drukken. Dat wil overigens niet zeggen dat iedereen in die tijd zo gearticuleerd sprak als nieuwslezers. Tot halverwege de twintigste eeuw spraken veel mensen thuis en op straat nog een plaatselijk dialect.
Jongeren uit de stille generatie (geboren tussen 1928 en 1945) waren in het algemeen wat behoudender dan de generaties erna. Woorden als trut, eikel, lul en klerelijer golden vaak nog als taboe, en ook ongesteld en zwanger nam deze generatie liever niet in de mond. Jongens en meisjes gingen naar aparte scholen, waar ze vaak nog les kregen van nonnen of andere geestelijken, en studeren was voorbehouden aan een kleine elitegroep. Daardoor misten de oudsten van de stille generatie fasen van socialisatie waar jongeren van latere generaties wel doorheen gingen. Er was minder gelegenheid om een eigen omgangstaal te creëren, want na de lagere school ging bijna iedereen meteen aan het werk.
Woorden als ‘ongesteld’ en ‘zwanger’ nam de stille generatie liever niet in de mond.
Dat wil overigens niet zeggen dat de stille generatie helemaal geen modewoorden had. Halverwege de jaren vijftig kwam de jeugdcultuur van de nozems op en werden nieuwe, lossere muziekstijlen zoals rock-’n-roll populair. Uit die periode is mieters het bekendste woord. Dit had oorspronkelijk een negatieve betekenis (van sodemieter), maar werd vanaf toen gebruikt om uit te drukken dat iets heerlijk of geweldig is. Ook woorden als bakvis (‘meisje in de puberteit’), deksels (een ‘zachte’ krachtterm), fuiven (‘feesten’), pick-up (‘platenspeler’), vetkuif (‘rock-’n-roll-haardracht’), buikschuiver (‘bromfiets’) en grutjes/goeie grutten (om verbazing uit te drukken) waren tekenend voor jongeren in de jaren vijftig.
Rebels en informeel
Mensen die hun jeugd beleefden in de late jaren vijftig en de jaren zestig – babyboomers (geboren tussen 1946 en 1964) en de jongsten van de stille generatie – maakten belangrijke veranderingen in het onderwijs mee. Jongens en meisjes belandden vaker in gemengde klassen, en eind jaren zestig kwamen er nieuwe schooltypen en grote scholengemeenschappen.
Steeds meer jongeren gingen studeren: tussen 1950 en 1970 verdriedubbelde het aantal studenten aan universiteiten. Ook kwamen jongeren steeds vaker buiten hun eigen woonplaats, bijvoorbeeld om naar school te gaan of te studeren. Daar ontmoetten ze sprekers van andere dialecten en pasten ze hun taalgebruik aan elkaar aan. Dat verklaart waarom het dialectgebruik in Nederland rond de jaren zestig daalde. In de loop der jaren zou het steeds meer plaats gaan maken voor Standaardnederlands, eventueel met een regionaal accent, of voor regiolect (een ‘tussenvorm’ met invloeden uit het dialect én het Standaardnederlands).
Het taalgebruik werd vanaf de jaren zestig informeler, een trend die al in de voorgaande decennia was ingezet. Tutoyeren werd gangbaar binnen de eigen intieme kring om solidariteit uit te drukken (‘zeg maar jij!’), terwijl u niet alleen meer ging staan voor beleefdheid, maar vooral voor afstand. Langzamerhand, en zeker vanaf de jaren zeventig, raakte ook het groeten met twee woorden in onbruik. Het aantal vloek- en schuttingwoorden nam toe, met verwijzingen naar seks en ontlasting, zoals klote, fuck, hondenlul en shit. De dolle mina’s doorbraken het taboe op woorden als zwanger en ongesteld, maar ook op de pil. Naaktheid werd acceptabeler en streaken werd een rage. Vrijheid en losbandigheid werkten door in taal en gedrag. De jongeren in de jaren zestig stonden kortom aan de basis van de rebelsheid die jongerentaal nog steeds kenmerkt.
Knotsgekke turbotaal
De opkomst van jongerentaal is niet los te zien van bredere jeugdculturen. In jeugdbewegingen en op school(pleinen) ontwikkelden jongeren nieuwe subculturen, met hun eigen kledingstijl, haardracht, muzieksmaak en taalgebruik. Door de vrije zaterdag kregen werkenden vanaf de jaren zestig meer vrije tijd, en steeds meer mensen hadden thuis een televisie.
T-shirts en jeans kwamen in de mode, en er kwam meer unisekskleding, zoals schipperstruien. Iets geweldigs was niet langer mieters maar te gek. Babyboomers vonden dingen ook blits of juist mooi klote. Ze bedachten allerlei nieuwe bijvoeglijke naamwoorden met een versterkende betekenis, in originele samenstellingen als knotsgek, beregoed, knoerthard en kneiterberoemd. Mensen met spatjes (‘kapsones’) konden beter effe dimmen, en waar jongens graag een mokkel (‘knap meisje’) scoorden, scoorden meiden bijvoorbeeld kledingstukken als hotpants of minirokken.
In de jaren zeventig en tachtig vernieuwde de taal onder meer door de iconische sketches van het cabaretduo Van Kooten en De Bie: woorden en uitdrukkingen als jemig de pemig, regelneef, positivo en doemdenken raakten in zwang. Verder hoorde je bij het afscheid nemen steeds vaker doei of doeg in plaats van dag of tot ziens.
Hippies uit de babyboomgeneratie maakten in de jaren tachtig plaats voor yuppies uit generatie X (geboren tussen 1965 en 1980): hoogopgeleide jongeren in grote steden. Hun vlotte babbel kreeg het label ‘turbotaal’. Uit die periode stammen ook de afko’s (afkortingen en verkortingen) van studenten, zoals depri (‘depressief’) en popi (‘populair’). Je hoort ze nog steeds in de hedendaagse (studenten)taal, en er komen nog altijd nieuwe afko’s bij, zoals noncha (‘nonchalant’) en kowa (‘korte wandeling’).
Er komen nog altijd nieuwe afko’s bij, zoals ‘noncha’ (‘nonchalant’).
Coooollll!!1!
Waar het modewoord gaaf het taalgebruik van gen-X’ers kleurde, vonden millennials (geboren tussen 1981 en 1996) de aangename dingen des levens cool, vet, strak, flex en relaxed. Vanaf de jaren tachtig was in steeds meer huishoudens een computer te vinden, en millennials maakten in hun jeugdjaren ook de grote opmars van de mobiele telefoon mee. Die ontwikkelingen leidden tot een nieuwe variant van het Nederlands, die ook wel sms-taal, chattaal of Korterlands werd genoemd. Forums, chatrooms, MSN, Hyves en online games zorgden voor een informele schrijftaal: spreektalig, speels, expressief en beknopt. In chattaal schreven millennials bijvoorbeeld yolo (‘you only live once’), wjnmk (‘wil je nooit meer kwijt’), w8 ff (‘wacht even’), coooollll en kweenie (‘ik weet het niet’), en maakten ze creatief gebruik van hoofdletters en leestekens (!!1!).
Er kwamen ook nieuwe manieren om te communiceren, bijvoorbeeld met gifjes (geluidloze bewegende plaatjes) en later memes (plaatjes met grappige teksten). Daarnaast eisten emoticons (zoals xD) en emoji’s hun plek op in de informele taal. Ook die bleken in latere generaties aan verandering onderhevig: zo is het duimpje omhoog inmiddels bestempeld als ‘boomerduim’. Oftewel: niet meer hip.
Stoere straatpraat en bekakt Goois
Het ‘jijen’ en ‘jouwen’ raakte rond 2000 echt ingeburgerd. Nog heel weinig jongeren spraken hun ouders met u aan, en ook op school en bij de overheid was communicatie minder formeel geworden. Veel taaltrends begonnen met de nodige ironie. Minachtende of sarcastische uitdrukkingen als boeiuhhh en duh galmden dankzij millennials over schoolpleinen. In de Randstad klonk steeds meer ‘straattaal’ (waarover in het vorige nummer van Onze Taal al uitgebreid te lezen was). Jongeren met verschillende taal achtergronden gingen het Nederlands mixen met andere talen, zoals Surinaams (Sranantongo), Papiaments, Turks, Marokkaans-Arabisch, Tamazight (Berbers) en Engels: paas me die afoe (‘geef me een trekje van je sigaret’), wollah harde pokoe (‘ik zweer het je, dit is goede muziek’), check die patta’s (‘kijk eens naar die schoenen’). Deze straattaal kwam in de jaren negentig al op bij de jongste gen-X’ers, maar bleef geliefd bij latere generaties, die weer hun eigen woorden bedachten. Hiphopartiesten en -formaties als De Jeugd van Tegenwoordig droegen hier onmiskenbaar hun steentje aan bij.
Sinds de jaren negentig waren er meer opvallende taalverschuivingen. Het Poldernederlands werd een trend, een ontwikkeling die al ergens in de jaren zeventig begonnen moet zijn en die de uitspraak van tweeklanken als ei/ij beïnvloedde: ‘maaisje’ in plaats van meisje en ‘blaaif baai maai’ in plaats van blijf bij mij. Met name jonge vrouwen in de media en de populaire cultuur, zoals Katja Schuurman en Bridget Maasland, waren de aanjagers van deze trend. Ook het bekakte accent met de Gooise r (met de tong dicht tegen het gehemelte) was in heel Nederland te horen aan het einde van lettergrepen: maar met een r zoals Amerikanen het woord door (‘deur’) uit spreken.
TikTok bepaalt de vibe
Terwijl veel millennials al op jonge leeftijd een computer en mobiele telefoon kregen, is generatie Z (geboren tussen 1997 en 2012) zo’n beetje ter wereld gekomen met een smartphone in de hand. In hun gen-Z-slang hoor je de invloed van online rolmodellen: artiesten, vloggers en influencers met veel volgers. Hedendaagse jongeren zijn actief op platforms als Snapchat en TikTok, waar ze foto’s en korte video’s delen en bekijken.
Veel taaltrends begonnen met de nodige ironie.
Er ontstaan nieuwe vertelvormen, zoals GRWM-video’s (get ready with me), waarin meiden hun make-uproutines delen, en fitchecks waarin jongeren hun outfits showen, doorspekt met Engelse leenwoorden en virale uitspraken die je ook ‘offline’ wel hoort. Gen-Z’ers vinden dingen nice, sick en slay of juist cringe. TikTok-trends bepalen wat een vibe is in het modebeeld en in het taalgebruik van jongeren. De opkomst van online dating(apps) heeft gezorgd voor nieuwe woorden als ghosten (‘iemands berichten negeren’) en catfishing (‘je online als iemand anders voordoen’).
Conservatieve wind
Ook heeft een aantal grammaticale verschuivingen de laatste jaren voet aan de grond gekregen, zoals de (verdere) opmars van een meisje die en die meisje, en de beter-constructie: beter gaan we weg. Gen-Z’ers laten regelmatig onderwerpen en werkwoorden weg na voegwoorden (‘Ik kan niet op stap, want examen’) of lidwoorden en voorzetsels (‘Ik ga stad’).
Naast technologische ontwikkelingen zijn er ook maatschappelijke gebeurtenissen die het taalgebruik van gen Z hebben beïnvloed. Zo kwam er onder meer door de Black Lives Matter-beweging meer bewustzijn over inclusieve taal en het aanduiden van groepen die het zelf niet altijd voor het zeggen hadden gehad. Het n-woord verdween en slaaf maakte plaats voor slaafgemaakte. Steeds meer jongeren raakten gewend aan genderaanduidingen als queer en non-binair, en er kwam meer aandacht voor genderneutrale voornaamwoorden als hen/hun en die/diens.
Tegelijkertijd is er de afgelopen jaren ook een conservatieve wind gaan waaien onder een deel van de jongste generaties, onder invloed van de ‘manosfeer’ en ‘incels’: (online) subculturen van mannen die bekendstaan om hun machogedrag en hun antifeministische of seksistische opvattingen. Woorden als tradwife (‘vrouw die een traditionele rol op zich neemt als moeder en huisvrouw’) en looksmaxxing (‘het maximaliseren van fysieke aantrekkelijkheid via bijvoorbeeld sport- en skincareroutines of zelfs cosmetische ingrepen’) komen uit deze hoek.
Geen duidelijke betekenis
Gelukkig is de meeste jongerentaal vooral grappig en onschuldig. De oudsten van de jongste generatie, generatie alfa (geboren tussen 2013 en nu), zijn net aan hun tienerjaren begonnen: de fase waarin ze hun eigen omgangstaal gaan creëren. Gen alfa is nóg meer dan gen Z beïnvloed door internet en sociale media. Het is ook de eerste generatie voor wie het Jeugdjournaal een eigen woord-van-het-jaar-verkiezing in het leven heeft geroepen, waarin jongeren zelf mogen stemmen op hun favoriete woord. In 2024 won bruh, een variant van bro, twee woordjes die jongeren massaal gebruiken om elkaar aan te spreken. In 2025 ging de winst naar 67, een uitdrukking die eigenlijk niks betekent en gebaseerd is op een rapliedje en een virale internetmeme. Het lijkt een nieuwe trend te zijn: modewoorden zonder duidelijke betekenis. Dat zie je ook bij skibidi, dat in 2023 en 2024 populair was: een versterkend woordje voor positieve én negatieve dingen. Zulke woorden hebben wel een sociale betekenis: jongeren laten ermee zien dat ze naar dezelfde dingen kijken en dezelfde dingen leuk vinden.
De trends onder Nederlandse jongeren lopen steeds meer parallel aan trends in de internationale jongerencultuur. Online scrollen is het nieuwe schoolplein geworden. Je hoort erbij wanneer je clock it roept als je wilt laten weten dat je iets hebt opgemerkt, je bent cooked als je de sjaak bent, iemand met veel uitstraling kun je rizz of aurapunten toeschrijven, en om te laten merken dat je het echt meent zeg je yusu (‘oprecht’) of no cap (‘ik lieg niet’). Oudere generaties zijn vaak bezorgd over het taalgebruik van jongeren en de invloed van sociale media. Ze stellen dat eindeloos scrollen door ‘inhoudsloze’ posts slecht is voor hun aandachtspanne, intellectuele vermogen en mentale toestand. Zelf noemen jongeren dit brainrot (letterlijk ‘hersenrot’). Ze gebruiken die term bijvoorbeeld als het gaat over AI-gegenereerde animatiefiguren, zoals Ballerina Cappuccina en Tung Tung Tung Sahur. Oudere generaties hebben vaak geen idee wat hier interessant of grappig aan is, maar voor jongeren zit de aantrekkingskracht juist in die verwarring en inhoudsloosheid.
Wij-gevoel
Hoewel de taal van verschillende generaties heel duidelijk verschilt, hebben woorden als mieters, te gek, gaaf, cool, nice en clock it één belangrijke overeenkomst: ze creëren een wij-gevoel dat alleen insiders echt kunnen begrijpen. Iykyk: if you know you know.
Het taalgebruik van een bepaald tijdperk vertelt ons iets over de trends en hypes van dat moment. Maar het is meer dan dat: het zijn vaak grote maatschappelijke omwentelingen die de taal van een generatie beïnvloeden en vormgeven. Als de wereld om je heen verandert, dan verandert de taal mee. Taaltrends kunnen van korte duur zijn, maar ze kunnen ook voortbestaan in volgende generaties. Mooi dat al die taal dit jaar mag schitteren op de rode loper van de Boekenweek.
Amaaaii
Om te achterhalen welke woorden en taaltrends verschillende generaties typeren, schakelden we de hulp van onze lezers in.
De meeste respondenten kwamen uit Nederland, maar er reageerden ook 39 West-Vlaamse gen-Z’ers, allemaal geboren in 2011 en 2012 – waarschijnlijk een schoolklas. Hun favoriete woorden komen sterk overeen met hun Nederlandse leeftijdgenoten, maar enkele woorden springen eruit: stief en vré, chaud (naast cool), omds (‘oh my days’), en verschillende varianten van amai: amaaaai en amaaaii. Het contrast is vooral groot met de woorden die deze jongeren bij oudere generaties horen, zoals: schoon, scheun, beire, aangenaam en plezant. “Nogal saaie woorden”, concludeert een respondent.
Alsjeblieft!
Dit artikel uit het maart/aprilnummer (2026) van Onze Taal kreeg je cadeau. Nieuwsgierig naar de rest van het tijdschrift? Schaf het hier aan voor € 2,50 (in plaats van € 8,75).
Lid worden van Onze Taal? Bij een jaarlidmaatschap (€ 49,50) ontvang je gratis het boek Woord voor woord. De verleden tijd van taal van Yoïn van Spijk (t.w.v. € 27,50).