Gevlij in de uitdrukking in het gevlij komen komt van het werkwoord vlijen. Dat betekent letterlijk ‘netjes neerleggen, schikken’ en ook ‘zich schikken, zich voegen naar, zich plooien naar’.

Als je probeert bij iemand in het gevlij te komen, zeg je dus precies wat iemand anders graag wil horen of doe je precies wat die persoon wil. Je wringt je dus in allerlei bochten om het iemand naar de zin te maken. Dat doe je alleen maar om bij de ander in de gunst te komen, omdat je verwacht dat je daar voordeel van hebt. In het gevlij (proberen te) komen bij iemand is dus niet zo positief. Het komt voor in zinnen als ‘Iedereen probeerde in het gevlij te komen bij de winnaar van de loterij’ en ‘Ik ben bij mijn baas in het gevlij gekomen door net te doen alsof ik dezelfde hobby heb.’

Gevlei: ‘overdreven lof, strooplikkerij’

Gevlei is afgeleid van vleien. Dat betekent ‘overdreven vriendelijk zijn’, ‘overdreven prijzen en loven’, ‘strooplikken’. Bijvoorbeeld:

  • Een potje slijmen bij je baas kan veel succes hebben, als je er tenminste voor zorgt dat je gevlei geloofwaardig blijft.
  • Toen hij merkte dat zijn gevlei geen effect had, werd hij meteen een stuk minder vriendelijk.

Toch nog een vraag?

Onze taaladviseurs staan elke werkdag voor je klaar. Neem contact op via

Bel 085 00 28 428 van 9.30 tot 12.00 uur (op donderdag tot 11.00 uur) en van 13.30 tot 16.00 uur Bel 085 00 28 428 van 9.30 tot 12.00 uur (op donderdag tot 11.00 uur) en van 13.30 tot 16.00 uur

(gebruikelijke belkosten, geen extra kosten)

Of stel je vraag via social media of per mail

Waar komt in het gevlij komen vandaan?

Volgens het Groot Uitdrukkingenwoordenboek van Van Dale (2006) is de uitdrukking in het gevlij komen in de negentiende eeuw ontstaan op basis van een oudere uitdrukking: in het gevlij spreken. Daarmee werd bedoeld ‘twee partijen zo proberen te bepraten dat ze zich verzoenen’. Ook F.A. Stoett geeft deze herkomst.

Het Prisma Stijlboek (1983) geeft een andere uitleg: “We moeten (...) denken aan arbeiders die metselstenen uit een schip op een vrachtauto laden: ze geven de stenen met vier of vijf tegelijk aan elkaar door en de man in de auto vlijt ze op elkaar, dat wil zeggen hij legt ze netjes neer; de laatste man doet het belangrijkste werk, de anderen mogen niet te vlug of te langzaam werken, ze moeten bij de man op de auto in het gevlij komen!” Ook K. ter Laan (Nederlandse spreekwoorden, spreuken en zegswijzen) vermoedt een direct verband met handwerk (dus: letterlijk dingen netjes neerleggen/-vlijen): “Vlijen is ‘netjes schikken’, bv. turf vlijen, de schoven vlijen op de wagen en in de schuur. Vandaar ’t gevlij = ’t schikken en plooien.”