Print deze pagina

Hun / hen

Wanneer is hun juist en wanneer hen?

Hieronder vindt u de algemene regels voor het gebruik van hen en hun. Verderop op deze pagina wordt bij honderden werkwoorden en uitdrukkingen aangegeven of ze met hen of hun moeten worden gecombineerd. > Snel naar de lijst

Algemene regels

Gebruik het persoonlijk voornaamwoord hen in de volgende gevallen:

  1. Na een voorzetsel. Bijvoorbeeld: 'Ik geef het boek aan hen'; 'Ik deed het voor hen'; 'Zijn houding jegens hen'; 'Hoe gaat het met hen?'; 'Hij blijft altijd bij hen'; 'De mensen stonden om hen heen'; 'Dankzij hen ben ik op tijd'; 'Wat moet er volgens hen gebeuren?'; 'Ik krijg het van hen.'
  2. Als lijdend voorwerp. Bijvoorbeeld: 'Ik bekijk hen'; 'Hij ontslaat hen'; 'Zij mijdt hen.' Een goed controlemiddel: als je de zin lijdend maakt (met worden), verandert hen in het onderwerp zij ('Ik bel hen/hun op' - 'Zij worden opgebeld' - dus 'Ik bel hen op').

Gebruik het persoonlijk voornaamwoord hun als het een meewerkend voorwerp is (ook wel een indirect object genoemd). Je kunt er dan vaak een voorzetsel bij denken (aan, voor, bij, volgens) of een voorzetselgroep (met betrekking tot, ten aanzien van e.d.).  Voorbeelden:

  • Ik geef hun het boek. (hun = 'aan hen')
  • Hij schonk hun een kopje koffie in. (hun = 'voor hen')
  • Hij rookt hun te veel. (hun = 'volgens hen, wat hen betreft')
  • China is hun te ver. (hun = 'voor hen')
  • De tranen stonden/sprongen hun in de ogen. (hun = 'bij hen')

Lukt het u niet om met deze vuistregels uw twijfel op te lossen, gebruik dan ze. In niet al te formele teksten is dit vaak prima bruikbaar als alternatief voor hen én hun: 'Ik geef ze (hun) het boek', 'Laat ze (hen) maar praten.'

Let op: hen en hun kunnen alleen gebruikt worden als er naar personen wordt verwezen; als het om voorwerpen, zaken en dergelijke gaat, is doorgaans alleen ze mogelijk. Dus: 'Ik haal de boeken op en geef ze aan jou.''

Hun is trouwens ook een bezittelijk voornaamwoord: 'Dat is hun boek', 'Ik fietste naar hun huis.' Over dit hun gaat het niet in dit advies; het gaat hier alleen over de persoonlijke voornaamwoorden hun en hen.

Waarom bestaat dit verschil?

Het verschil tussen hun en hen 'leeft' allang niet meer in het dagelijks taalgebruik. Het is dan ook een kunstmatig onderscheid; de zeventiende-eeuwse wetenschapper Christiaen van Heule wordt beschouwd als de bedenker ervan. Tegenwoordig gaan veel taalgebruikers ervan uit dat alleen hen juist is in een zin als 'Hen vraag ik niets meer!', terwijl volgens de regels 'Hun vraag ik niets meer!' juist is. Volgens de Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS, 1997) mag er bij dit soort hen/hun-kwesties niet van 'fouten' worden gesproken.

Hun hebben

Hun als onderwerp (zoals in 'Hun hebben er helemaal geen verstand van') wordt trouwens nog wél als echt fout gezien; zie ons advies hierover.

Werkwoorden met hun of hen

Hieronder staat een lijst met honderden werkwoorden (en uitdrukkingen) waarbij vaak getwijfeld wordt over de vraag of je ze met hun of met hen moet combineren. Deze lijst wordt geregeld aangevuld. Hebt u een werkwoord waarvan u vindt dat het in deze lijst thuishoort of zijn er andere gevallen waarover u twijfelt, stuur ons dan een mailtje.

 regels A B C D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z

A

aanbevelen: ik beval hun de sliptong aan
aanbidden: de kinderen aanbidden hen
aanbieden: ik bied hun mijn excuses aan
aandoen: ik deed hun een proces aan
aandoen: hoe kon je hun dat aandoen?
aandoen: ik doe hun de kleren aan
aangaan: dat gaat hen niets aan
aangenaam zijn: de kennismaking was hun zeer aangenaam
aangeven: ik geef hun de aardappels aan
aangrijnzen: de honger grijnst hen aan
aangrijpen: het heeft hen erg aangegrepen
aanhouden: de politie hield hen aan
aanjagen: het joeg hun angst aan
aankijken: zij keek hen niet aan
aankleden: hij wekte de kinderen en kleedde hen aan
aankleven: hun vaders wangedrag kleeft hun aan
aanleren: ik leer hun de regels aan
aanmoedigen: we moedigden hen aan; ik moedig hen aan om vol te houden
aannaaien, een oor -: ze naaiden hun een oor aan
aanpraten: hij praatte hun een schuldgevoel aan
aanraden: ik raad hun aan een hoger bod uit te brengen
aanreiken: ik reik hun de boeken aan
aanrekenen: ik reken hun dit fiasco ten zeerste aan
aansmeren: hij smeerde hun een oude auto aan
aansporen: ik spoorde hen aan door te werken
aanspreken: dat spreekt hen wel aan
aanstaan: de gang van zaken stond hun niet erg aan
aanstaren: hij staart hen langdurig aan
aantrekken: wat hen het meest aantrok in Canada, was de schitterende natuur
aantrekken (iemand iets -): ik trek hun de kleren aan
aanvuren: we vuurden hen hartstochtelijk aan
aanwaaien: het komt hun allemaal maar aanwaaien
aanwijzen: ik wijs hun de bezienswaardigheden aan; de leraar wees hen een voor een aan
aanzetten: wij zetten hen aan tot spoed
aanzien: de zorgen waren hun aan te zien
achternagaan: je kunt hen beter niet achternagaan
achternagooien: ik gooide hun de tas achterna
achternalopen: de dreumes liep hen overal achterna
achternaroepen: hij riep hun van alles achterna
achternavliegen: ik ben hen meteen achternagevlogen
achternazitten: de politie zat hen achterna
adviseren: wij adviseren hun om de trein te nemen; hij adviseerde hen al jaren
afgaan, goed -: het gaat hun goed af
afleren: ik heb het hun afgeleerd
afhandig maken: ik heb het hun afhandig gemaakt
aflossen: ik los hen af
afluisteren: ik luisterde hen af
afnemen, (niet) in dank -: ik neem het hun (niet) in dank af
afnemen: alles werd hun afgenomen; zij namen hun een test af
afpakken: ik pak hun de bal af
afpersen: hij perste hun veel geld af (veel geld is lijdend voorwerp); hij perste hen af (hen is lijdend voorwerp)
afraden: ik raad hun af nu te verhuizen
afronselen: alles wat ze bezaten werd hun afgeronseld
afsnauwen: hij snauwde hen af
afstaan: ik stond hun zelfs mijn huis af
aftroggelen: hij troggelde hun al hun geld af
afvallen: zij verwachtten haar steun, maar zij viel hen af
afwijzen: zij wees hen af
amuseren: zijn betoog amuseerde hen
angstig te moede zijn: het is hun angstig te moede
antwoorden: ik antwoordde hun direct

regels A B C D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z

B

baas, de - zijn: wij waren hun de baas
bakken, een poets -: ze bakte hun een poets
baten: het baat hun niets
beboeten: de politie beboette hen
bedanken: de jubilaris bedankte hen
bedelven: de stenen bedolven hen
bederven: die ouders stellen geen grenzen voor hun kinderen; ze bederven hen
bedienen: de kok bediende hen zelf
bedonderen/bedotten: zij bedonderden/bedotten hen
bedreigen: zij bedreigden hen
beetnemen: zij namen hen beet
begeleiden: ik begeleidde hen
beginnen: het was hun begonnen om de eer
begraven: zij begroeven hen
begrijpen: zij begreep hen niet
behagen: dat behaagde hun zeer
behandelen: zij behandelt hen niet anders dan anderen
behulpzaam zijn: ik ben hun behulpzaam
bekend voorkomen: het kwam hun bekend voor
bekend zijn: hier was hun niets van bekend
bekendmaken: ik maak het hun morgen bekend
bekennen: hij bekende hun zijn wandaden
bekomen: het gekruide eten bekwam hun slecht
bekruipen: een angstig gevoel bekroop hen
beledigen: hij beledigde hen
belemmeren: het kan hen belemmeren
beletten: de bewaker belette hun door te lopen
believen: het belieft hun aanwezig te zijn
beloven: ik beloofde hun goed op te passen
beminnen: ze beminden hen
bemoedigen: de steun van de buren bemoedigde hen
benadelen: we hebben hen benadeeld
benaderen: zou je hen niet willen benaderen voor het ceremoniemeesterschap?
benemen: de hitte benam hun de adem
benijden (= 'jaloers zijn op'): ik benijd hen niet
benijden (= '[iemand iets] niet gunnen'): ik benijd hun hun succes
bereiken: het bericht bereikte hen nog net op tijd
berekenen: hij berekende hun veel te weinig voor die klus
berichten: ik bericht het hun
berokkenen: hun wordt schade berokkend
berouwen: het berouwt hun
beschermen: het vuur beschermde hen tegen de kou
beschikking, ter - staan: het staat hun ter beschikking
beschoren zijn: hun was een gelukkig leven beschoren
besparen: ik bespaar het hun
bespotten: zij bespotte hen
best, wel - zijn: het was hun wel best zo
betalen: ik betaal hun honderd euro (bedrag als lijdend voorwerp); ik heb hen al betaald (hen is lijdend voorwerp)
betamen: dat gedrag betaamde hun niet
betreffen: het betreft hen
betrekken: we moeten hen erbij betrekken
betoveren: zij betoverde hen
beu zijn: ik was hen beu
beurt, te - vallen: een grote eer viel hun te beurt
bevallen: het beviel hun goed
bevelen: ik beveel het hun
bevreemden: het bevreemdde hun/hen (beide mogelijk)
bewapenen: ze bewapenden hen
bewegen: ik wil weten wat hen beweegt
bewieroken: ze bewierookten hen
bewijzen: ik kon hun bewijzen dat ik de waarheid sprak
bezielen: wat bezielde hen?
bezighouden: hij hield hen uren bezig
bezoeken: zij bezocht hen trouw elke vrijdag
bezorgen: ik bezorgde hun een leuke dag
bezuren: dat zal hun bezuren
bieden: zij bood hun 50 euro
bijblijven: het bleef hun bij
bijbrengen: een plons water brengt hen wel weer bij
bijbrengen: hij bracht hun interesse voor klassieke muziek bij
bijhouden: we konden hen nauwelijks bijhouden
bijstaan: een advocaat stond hen bij
bijvallen: de anderen vielen hen bij
binden: er is veel dat hen bindt
binnen, te - schieten: het schoot hun opeens te binnen
blaam treffen: hen treft geen blaam
blijken: dat bleek hun te veel
blik waardig keuren: ze keurde hun geen blik waardig
blinddoek, een - voor ogen houden: ik hield hun een blinddoek voor ogen
bloed, het - onder de nagels vandaan halen: ik haalde hun het bloed onder de nagels vandaan
bloed, het - naar het hoofd jagen: het joeg hun het bloed naar het hoofd
blootstellen: hij stelde hen bloot aan gevaar
boeien: de voorstelling boeide hen zeer; of hun reactie wel of niet kwetsend was, boeide hen niet
boeken: ik heb hen geboekt voor zaterdag
bol, over de - aaien: ze aaide hun over de bol
boren, door de neus -: het werd hun door de neus geboord
borst, tegen de - stuiten: dat stuitte hun tegen de borst
brand, uit de - helpen: zij heeft hen uit de brand geholpen
brengen: ik bracht hun een bos bloemen
brengen, in herinnering -: ik bracht het hun in herinnering
brengen, op de hoogte -: ik bracht hen ervan op de hoogte
brengen naar: ik bracht hen naar het station
brengen, het nieuws -: zij brachten hun het nieuws dat ...

regels A B C D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z

C

cadeau doen: ik deed hun een servies cadeau
cadeau geven: ik gaf hun een servies cadeau
coachen: tot voor kort coachte ik hen
commanderen: ik commandeerde hun te luisteren
complimenteren: ik complimenteerde hen met hun nieuwe huis
confronteren: ik confronteerde hen met de waarheid
conveniëren ('passen, schikken, uitkomen'): zitting nemen in de commissie convenieerde hun niet

regels A B C D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z

D

dak, op het dak schuiven: ik schoof hun het probleem op hun dak
dank, in - afnemen: dat werd hun niet in dank afgenomen
dankbaar zijn: ik ben hun dankbaar
danken: wij danken hen voor hun bijdrage
dankzeggen: ik zegde hun dank
das, de - omdoen: hun leugens deden hun de das om
deel, ten - vallen: veel geluk viel hun ten deel
deren: de kou deerde hen niet
deugd doen: de lof deed hun deugd
deur, de - wijzen: hun werd de deur gewezen
dicht, te - op de huid zitten: ze zaten hun te dicht op de huid
dienen, tot iets -: hun geloof dient hun tot richtsnoer
dienst, van - zijn: ik ben hun van dienst met mijn klopboor
dienste, ten - staan: mijn klopboor staat hun ten dienste
dierbaar zijn: ze raakten alles kwijt wat hun dierbaar was
diets, iets - maken: hij maakte hun van alles diets
discrimineren: zij discrimineerden hen
doen (= 'aandoen'): onze Bello zal hun niets doen
doen (= 'een gevoel teweegbrengen'): klassieke muziek doet hun weinig
doen denken: Giethoorn deed hen aan Venetië denken
doen, erom te - zijn: het was hun om iets anders te doen
doen huiveren: de kou deed hen huiveren
doen, te - staan: ze weten wat hun te doen staat
doen toekomen: ik deed hun het bericht toekomen
dolk, een - in het hart boren: hij boorde hun een dolk in het hart
dreigen: een groot gevaar dreigde hen
drijven: ik heb geen idee wat hen drijft
droef te moede zijn: het was hun droef te moede
drukken, op het hart -: hij drukte het hun op het hart
duidelijk worden: het werd hun al snel duidelijk
duidelijk zijn: het was hun al snel duidelijk
dunken: dat dunkt hun juist te zijn
duren: het heeft hun lang genoeg geduurd
duur te staan komen: dat kwam hun duur te staan
duwen, door de strot -: het werd hun door de strot geduwd
duwen: ik duwde hen naar de uitgang
duwtje in de rug geven, een -: ze gaf hun een duwtje in de rug
dwarszitten: de muggen zaten hen dwars

regels A B C D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z

E

eer, tot - strekken: dit strekt hun tot eer
e-mailen: ik heb hun de stukken ge-e-maild
eigen zijn: die vrijgevigheid is hun eigen
eren: wij hebben hen geëerd
ergeren: mijn taalgebruik ergerde hen
erkentelijk zijn: ik ben hun erkentelijk voor hun hulp
ernst zijn: het schijnt hun ernst te zijn
erom gaan: het gaat hun erom dat ze inspraak krijgen
erop wijzen: ik wees hun/hen erop dat ze te laat waren (beide mogelijk; hun is verouderd)
ervanlangs geven: ze gaven hun er ongenadig van langs
eten, te - geven: hij geeft hun te weinig te eten
evenaren: wij zullen hen wel nooit evenaren

regels A B C D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z

F

faxen: ik faxte hun het contract
feliciteren: ik feliciteerde hen met hun jubileum
flatteren: het zwart-witte tenue flatteerde hen
flikken: hij flikte hun een kunstje
fluisteren, in het oor -: ik fluisterde hun iets in het oor
fotograferen: zij fotografeerde hen

regels A B C D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z

G

gaan ... om: het gaat hun om het principe
gaan, goed -: het gaat hun goed
gaan, te (+ bijv. nw.): dat gaat hun te ver
gaan, uit de weg -: ik ga hun uit de weg
garanderen: ik garandeerde hun dat ik zou opletten
gebaren: hij gebaarde hun mee te gaan
gebeuren: het gebeurde hun telkens weer
gebruiken: hij heeft hen gebruikt en heeft hen daarna laten vallen
gedag zeggen: Anna zei hun/hen gedag
geest, voor de - komen: het kwam hun niet direct voor de geest
gehoorzamen: ik gehoorzaam alleen hun
gek maken: ze maakte hen gek met haar getreuzel
gelasten: de agent gelastte hun mee te komen
geld afpersen: de jongen perste hun geld af
gelden: onze dank geldt hun die bij het afscheid aanwezig waren
gelegen, aan - zijn: er is hun veel aan gelegen deel te nemen
gelijk geven: ik geef hun (groot) gelijk
gelukken: het gelukte hun de race te volbrengen
gemakkelijk maken: ik heb het hun gemakkelijk gemaakt
genadig zijn: hij is hun genadig
genoegen doen: het deed hun genoegen te merken dat zij op kop lagen
geruststellen: zij stelde hen gerust
gevangennemen: hij nam hen gevangen
geven: ik gaf hun het boek; de ouvreuse gaf hun een andere plaats
geven, een duwtje in de rug - : ze gaf hun een duwtje in de rug
geven, vertrouwen - : hij gaf hun vertrouwen
geworden, doen -: ik deed hun een boek geworden
gezelschap houden: zij hield hen gezelschap
gezind zijn: het lot is hun goed gezind
gireren: ik gireer hun het hele bedrag
goed afgaan: het gaat hun goed af
goed gaan: het gaat hun goed in Australië
goed, een - hart toedragen: zij draagt hun een goed hart toe
goeddoen: het warme bad deed hun goed
goeddunken: het staat huurders vrij de woningen in te richten zoals het hun goeddunkt
goede, ten - komen: het komt hun ten goede
goedgezind zijn: zij is hun goedgezind
gortig: het werd hun te gortig
gras, het - voor de voeten wegmaaien: ik maaide hun het gras voor de voeten weg
groeien, boven het hoofd -: de zorgen groeiden hun boven het hoofd
gruwel: dat is hun een gruwel
gunnen: ik gun hun een mooie vakantie
gunst, om een - vragen: ik vroeg hun om een gunst

regels A B C D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z

H

hak, een - zetten: ik zette hun een hak
hals, om de - vallen/vliegen: ik viel/vloog hun om de hals
hals, op de - schuiven: ik schoof het hun op de hals
hand, aan de - doen: ik deed hun een idee aan de hand
hand, de - boven het hoofd houden: ik hield hun de hand boven het hoofd
hand, de - drukken: ik drukte hun de hand
hand, de - erop geven: ik gaf hun mijn hand erop
hand, de - reiken: ik reikte hun de hand
hand, de - schudden: zij schudde hun de hand
hand, ter - stellen: ik stelde hun een boor ter hand
handen, in - spelen: ik speelde het hun in handen
handen, uit - nemen: ik nam hun veel werk uit handen
hangen, aan de neus -: dat ga ik hun echt niet aan de neus hangen
hangen, de keel uit-: haar smoesjes hingen hun de keel uit
hart, (na) aan het - gaan: het gaat hun (na) aan het hart
hart, een - onder de riem steken: ze stak hun een hart onder de riem
hart, op het - drukken: hij drukte het hun op het hart; hij drukte hun op het hart zich warm aan te kleden
hart, op het - trappen: hij trapte hun op het hart
hart, een warm / goed - toedragen: zij draagt hun een warm hart toe
hart, zwaar op het - liggen: de verharding van de maatschappij ligt hun zwaar op het hart
haten: ze haatten hen
helder zijn: het was hun helder dat ze geen hulp zouden krijgen
helpen: ik heb hen graag geholpen; we helpen hen een baan te vinden
helpen, uit de brand -: zij heeft hen uit de brand geholpen
hemd, het - van het lijf vragen: ik vroeg hun het hemd van het lijf
herinneren: ik herinner hen aan de betalingstermijn
herinneren (zich -): ik herinner me hen nog goed
herinnering, in - brengen: ik bracht het hun in herinnering
heten, welkom -: ik heet hen van harte welkom
heugen: dat zou hun nog lang heugen
hielen, op de - zitten: ik zat hun op de hielen
hinderen: het vliegtuiglawaai hindert hen
hoede, onder de - nemen: ik nam hen onder mijn hoede
hof, het - maken: (vroeger hun, nu) de bezoekers maakten hen het hof
hoofd, boven het - hangen: er hing hun van alles boven het hoofd
hoofd, het - op hol brengen: hij bracht hun het hoofd op hol
hoofd, uit het - praten: we probeerden het hun uit het hoofd te praten
hoofd, naar het - slingeren: ik slingerde hun van alles naar het hoofd
hoofd, naar het - stijgen: de roem steeg hun naar het hoofd
hoogte, op de - brengen/stellen: we brachten/stelden hen ervan op de hoogte
huid, de - over de oren halen: ik haalde hun de huid over de oren
huid, te dicht op de - zitten: ze zaten hun te dicht op de huid
hulp, te - roepen: ik riep hen te hulp
hulp, te - schieten: de strandwacht schoot hen te hulp

regels A B C D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z

I

inblazen: hij blies hun boze plannen in
inboezemen: dat boezemde hun ontzag in
indruk geven: ze gaf hun een verkeerde indruk
influisteren: ik fluisterde het hun in
informeren: hij informeerde hen over de excursie
ingeven: hun hart gaf hun in wat ze moesten doen
inlichten: zij lichtte hen erover in
inpeperen: ik peperde het hun in
inprenten: ik prentte het hun in
inschenken: ik schonk hun een glas wijn in; wil jij hun nog eens inschenken?
inslaan: hij sloeg hun de hersens in
inspireren: Obama's toespraak inspireerde hen
inspreken: ik sprak hun moed in
instrueren: hij instrueerde hen over het zomerkamp
interesseren: het interesseerde hen niet
intrigeren: dat intrigeerde hen zeer
invallen: de oplossing viel hun te laat in
inwrijven: ik wreef het hun in
irriteren: mijn taalgebruik irriteerde hen

regels A B C D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z

J

jagen: ik joeg hen mijn huis uit
jennen: zij jenden hen
jijen en jouen: zij jijden en jouden hen
jonassen: zij jonasten hen

regels A B C D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z

K

kaalknippen: zij knipte hen kaal
kaalscheren: zij schoor hen kaal
kaart, in de - spelen: dat voorval speelde hen/hun in de kaart
kapotmaken: zij maakten hen kapot
kastijden: de hagel kastijdde hen
keel afsnijden: hun werd de keel afgesneden
keel uithangen, de -: het hangt hun de keel uit
kenmerken: gastvrijheid kenmerkt hen
kennen: ik ken hen niet
kennis, in - stellen: hij heeft hen in kennis gesteld
kennismaken, laten -: ik liet hen kennismaken met de Thaise keuken
keuren, geen blik waardig -: ze keurde hun geen blik waardig
keuze, de - laten: ik liet hun de keuze
kidnappen: de rebellen kidnapten hen
kietelen: mama kietelde hen
klap: ze gaf hun een klap
kleineren: zij kleineerde hen
kleinkrijgen: hij probeerde hen klein te krijgen
klemzetten: ik zette hen klem door goede argumenten aan te voeren
klinken: dat klonk hun als muziek in de oren
knijpen: de nare oppas kneep hen
knollen voor citroenen verkopen: hij verkocht hun knollen voor citroenen
knuffelen: oma knuffelde hen
koeioneren: de baas koeioneerde hen
koesteren: hun ouders koesterden hen
koffie, op de - vragen: ik vroeg hen op de koffie
komen, ten goede -: dat komt hun ten goede
komen, van pas -: dat komt hun van pas
komen aanwaaien: het is hun allemaal komen aanwaaien
kool, een - stoven: hij stoofde hun een kool
kosten: het kost hun tien euro; het kostte hun geen enkele moeite; het kost hun heel wat tijd; dat kostte hun bijna het leven
koud laten: hoe de anderen over hen dachten, liet hen koud
kroon, naar de - steken: ik stak hun naar de kroon
kwaad, iemand een - hart toedragen: hij droeg hun een kwaad hart toe
kwalijk nemen, iemand iets -: ze namen het hun niet kwalijk
kwellen: hij kwelde hen jarenlang

regels A B C D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z

L

laan, de - uit sturen: ze stuurde hen de laan uit
last, tot - zijn: ik was hun alleen maar tot last
laste, ten - leggen: het OM legt hun doodslag ten laste
lastig maken: het werd hun enorm lastig gemaakt
lastigvallen: de kinderen vielen hen lastig
laten horen: ik liet hun de cd horen
laten kennismaken: ik liet hen kennismaken met de Thaise keuken
laten lezen: ik liet hun de brief lezen (= de brief geven ter lezing); ik liet hen de brief lezen (= hen met rust laten terwijl ze lezen)
laten merken: ze waren net zo bang als zij, maar ze lieten hun niets merken
laten opdraaien: hij liet hen ervoor opdraaien
laten overdoen: de leraar liet hen de toets overdoen
laten proeven: ik liet hun/hen de saus proeven (beide mogelijk)
laten voelen: ik liet hun voelen dat ik de baas ben
laten weten: ik liet hun weten dat ik vertrok
laten zien: ik liet hun het hele huis zien
laten, de keuze -: ik liet hun de keuze
lekker zitten (niet -): dat zat hun niet lekker; die kleren zaten hun (niet) lekker
lelijk opbreken: hun ongetraindheid brak hun lelijk op
lenen: ik leende hun wat geld
leren: ik leerde hun de polka; hij heeft hun het vak geleerd; we zullen hun eens mores leren
leren fietsen: ik heb hun leren fietsen
leren kennen: ik heb hen nog maar net leren kennen
les lezen: ze las hun flink de les
lesje leren: hij heeft hun een lesje geleerd
leven, het - redden: die agente redde hun het leven
leven, het - zuur maken: hij maakte hun het leven zuur
leven, naar het - staan: hij stond hun naar het leven
leveren: ik lever hun de kopij
lief zijn: allen die hun lief zijn
liefhebben: ik heb hen lief
liggen: zij negeerden mij, alleen omdat ik hun niet lag
lijf, tegen het - lopen: we liepen hun steeds tegen het lijf
lijken: emigreren leek hun niets; jullie lijken hen wel
lippen, het water tot de - staan: het water staat hun tot de lippen
loer, een - draaien: hij draaide hun een loer
lol, een - doen: ik deed hun een lol
lukken: dat lukte hun

regels A B C D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z

M

maag, iets in de - splitsen: ze hebben hun dat rotkarwei in de maag gesplitst
mailen: ik heb het hun gemaild
maken (gemakkelijk -, lastig -, makkelijk -, moeilijk -): je moet het hun niet te (ge)makkelijk maken; ze maken het hun wel lastig/moeilijk
maken tot: hun vriendelijkheid maakte hen tot populaire mensen
makkelijk: ik heb het hun makkelijk gemaakt
mankeren: hun mankeert niets
mantel uitvegen: ze veegde hun de mantel uit
masseren: hij masseerde hen
meedelen: de receptionist deelt hun mee dat de zaal vol is
meegeven: ik gaf hun een lunchpakket mee
meenemen: ik nam hen mee in de auto
meevallen: het examen viel hun mee
meezitten: het zit hun niet mee
melden: ik meldde hun hoeveel absenten er waren
mening, naar hun - vragen: ik vroeg hun naar hun mening
mening geven: ik gaf hun mijn mening
mes, het - op de keel zetten: ik zette hun het mes op de keel
mijden: ik mijd hen als de pest
min, te - zijn: tweedehands spullen zijn hun te min
misgunnen: hij misgunde hun hun succes
mislukken: hun mislukte wat Jan wel gelukt was
miszeggen: mijn kinderen zijn heel beleefd; ze hebben hun nooit iets miszegd
moede, te - zijn: het was hun droef te moede
moeilijk maken: ze heeft het hun moeilijk gemaakt
moeilijk vallen: het viel hun moeilijk afscheid te moeten nemen
moeite kosten: het kostte hun geen enkele moeite
mond, de - snoeren: hij snoert hun de mond
mond, in de - leggen: die woorden zijn hun in de mond gelegd
mond, naar de - praten: je moet hun niet naar de mond praten
moveren: zij kunnen dat om hen moverende redenen weigeren; wat moveert hen om dat te doen?

regels A B C D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z

N

naaien: zij naaiden hen
na-apen: zijn aapten hen na
nabij zijn: wees hun nabij
naderen: wij naderen hen
nageven: ze hebben lef, dat moet ik hun nageven
nakijken: wij keken hen na
nalaten: als ik doodga, laat ik hun alles na
napraten: zij praatten hen de hele tijd na
nareizen: ik reis hen morgen na
naroepen: ik riep hun na dat ze lafaards waren
na staan: ik sta hun het dichtst na
nasturen: het programma werd hun nagestuurd
nazenden: het programma werd hun nagezonden
negeren: zij negeerden hen totaal
neuken: zij neukten hen
neus, aan de - hangen: dat ga ik hun echt niet aan de neus hangen
neus, bij de - nemen: ze nam hen bij de neus
neus, door de - boren: hij boorde hun een rustig weekend door de neus
neus, onder de - wrijven: ik wreef hun mijn kritiek onder de neus
nodig hebben: ik heb hen hard nodig
noemen (= 'aanduiden als'): hij noemt hen zijn beste vrienden
noemen (= 'vermelden'): hij noemde hen in zijn toespraak
noemen (= 'opsommen'): hij noemde hun de voordelen van het systeem
noodlottig worden: de zware regenval werd hun noodlottig
nopen: dit noopte hen ertoe maatregelen te nemen

regels A B C D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z

O

offreren: ik offreerde hun een reëel bedrag
ogen, in de - kijken: ik keek hun diep in de ogen
ogen, onder - komen: hij kon hun niet meer onder ogen komen
ogen, voor - houden: ik hield hun een blinddoek voor ogen
ogen, voor - staan: er staat hun iets heel anders voor ogen
ogen, zwart voor de - worden: het werd hun zwart voor de ogen
omgeven: een aangename stilte omgaf hen
omkopen: hij kocht hen om
onberoerd laten: dit alles liet hen niet onberoerd
ondersteunen: ik ondersteunde hen
onderwerpen: de rechter onderwierp hen aan een onderzoek
onderwijzen: ik onderwees hun de vervoegingsregels
onrecht doen: hij deed hun onrecht met zijn vooroordelen
ontbreken: het ontbreekt hun aan niets
ontfutselen: ik ontfutselde hun het briefje
ontgaan: het ontging hun dat het regende
ontglippen: de dief ontglipte hun
ontgroeien: naarmate ik ouder werd, ontgroeide ik hun
ontkomen: ik ontkwam hun door hard te lopen
ontlasten: de verdachten hadden de pech dat er geen bewijsmateriaal was dat hen ontlastte; onze ouders zijn nu bejaard en wij ontlasten hen door al het snoeiwerk in de tuin te doen
ontlokken: hij ontlokte hun de waarheid
ontlopen: ik ontliep hun zo veel mogelijk
ontnemen: hij ontnam hun het zicht op het speelveld
ontraden: ik ontraadde het hun te emigreren
ontroeren: de muziek ontroerde hen
ontrukken: de dieven ontrukten hun de koffers
ontschieten: zijn naam ontschoot hun telkens
ontslaan: het bestuur ontslaat hen
ontslaan van de verplichting: dat ontslaat hen van de verplichting hun best te doen
ontsnappen: ik ontsnapte hun door hard te lopen
ontstijgen: zij ontsteeg haar milieu dankzij haar opleiding
ontvallen: hij ontviel hun in de oorlog
ontvallen: de moed ontviel hun
ontvangen: de premier ontving hen hartelijk
ontvluchten: ik ontvluchtte hun door een tunnel
ontwijken: ik ontweek hun zo veel mogelijk
ontzeggen: ik ontzeg hun de toegang
onverschillig laten: zijn bezwaren lieten hen onverschillig
onwaardig: dat gedrag is hun onwaardig
onwelgevallig: de corrupte raadsleden verdonkeremaanden een hun onwelgevallig rapport
oor, een - aannaaien: ze naaide hun een oor aan
oor, in het - fluisteren: ik fluisterde hun iets in het oor
oor, ter ore komen: het kwam hun ter ore
oorlog, de - verklaren: ze verklaarden hun de oorlog
opbeuren: zijn bezoek beurde hen op
opbiechten: ik biechtte hun alles op
opbreken: het gebrek aan slaap brak hun in de loop van de middag op
opdraaien, laten - voor: hij liet hen ervoor opdraaien
opdragen: ik droeg hun op alles op te ruimen
opgave, voor de - stellen: zij stelden hen voor een zware opgave
opgeven: ik gaf hun hun huiswerk op
ophalen: ik haalde hen op
op het verkeerde been zetten: je hebt hen op het verkeerde been gezet
ophitsen: ze hitste hen op
opjagen: ze jaagde hen op
opleggen: hij legde hun het zwijgen/een straf/de verplichting op
opleveren: het leverde hun niets op
opluchten: dat luchtte hen op
oppikken: ik pikte hen op op station
opspelden: ze speldde hun een medaille op
opvallen: het viel hun op
opvoeden: ik voedde hen op
opvrolijken: dat vrolijkte hen op
opwachten: ik wachtte hen op
oren, om de - vliegen: de krachttermen vlogen hun om de oren
overhandigen: ik overhandigde hun het formulier
overkómen: hun overkwamen altijd de gekste dingen
overlaten: dat kun je hun wel overlaten (of: dat kun je wel aan hen overlaten)
óverleggen: ik heb hun de stukken óvergelegd
overmaken: ik heb hun het bedrag overgemaakt
overreden: ik overreedde hen te blijven
overtuigen: dit argument kon hen niet overtuigen
overvallen: het onweer overviel hen; Robin Hood overviel hen

regels A B C D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z

P

parten spelen: hun verleden speelde hun parten
pas, de - afsnijden: ik sneed hun de pas af
pas, van - komen: de tropenhelm kwam hun goed van pas
passen: hun passen die jassen goed; dat past hun niet
passeren: ik passeerde hen na twee kilometer
pijn doen: dat deed hun pijn
poets bakken: ze bakte hun een poets
presenteren: ik presenteerde hun het plan
prijsgeven: ik gaf hun het geheim prijs
prikkelen: haar uitspraken prikkelden hen
proces, een - aandoen: ik deed hun een proces aan

regels A B C D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z

R

raad geven: ik gaf hun de goede raad om te vluchten
raad vragen: ik vroeg hun om raad
raadplegen: ik raadpleegde hen geregeld
raken: de tomaten raakten hen jammer genoeg niet; de roddels raakten hen niet
rapporteren: ik rapporteerde hun mijn bevindingen
recht doen: dat lofdicht deed hun recht
rede, in de - vallen: zij viel hen in de rede
redden: die agente redde hen
redden, het leven -: die agente redde hun het leven
reddende, de - hand toesteken: ik stak hun de reddende hand toe
reëngageren: ik reëngageerde hen
reiken, de hand -: ik reikte hun de hand
rekening, in - brengen: ik bracht hun kosten in rekening
repliek, van - dienen: de minister diende hen van repliek
resten: er restte hun niets dan maar weer terug te gaan
resteren: er resteerde hun nog maar drie vrije dagen
restitueren: het gehele bedrag werd hun gerestitueerd
retour zenden: ik zond hun het ondertekende contract retour
riem, een - onder het hart steken: ze stak hun een riem onder het hart
roepen: ik riep hen omdat we gingen eten
roepen, te hulp -: ik riep hen te hulp
rotzorg, een - zijn: ze zagen dat ze haar niet konden bijhouden, maar dat zal hun een rotzorg zijn
rug, de - toekeren: ik keerde hun de rug toe
ruimte, de - geven: ik gaf hun de ruimte
rust, met - laten: ik liet hen met rust

regels A B C D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z

S

schaden: de gebeurtenissen schaadden hen
scheiden: de dood heeft hen gescheiden
schelen: het kon hun niet schelen dat iedereen keek
schellen, de - vallen van de ogen: eindelijk vielen hun de schellen van de ogen
schenken: dat schonk hun voldoening; ze schonk hun een vermogen
schieten, te hulp - : de strandwacht schoot hen te hulp
schieten, te binnen -: het schoot hun opeens te binnen
schijnen: dat schijnt hun genoeg te zijn
schijnen: het licht scheen hun in de ogen
schikken: woensdagochtend schikt hun
schilderen: zij schilderde hen
schoenen, in de - schuiven: dat schoof hij hun in de schoenen
schrijven: ik schreef hun wekelijks een brief
schrik, de - op het lijf jagen: ik joeg hun de schrik op het lijf
schudden, de hand -: zij schudde hun de hand
schuldig zijn: ik ben hun 50 euro schuldig
selecteren: de jury heeft hen geselecteerd
serveren: ik serveer hun een kopje koffie
sieren: dat siert hen
slim, te - af zijn: ik was hun te slim af
slingeren, naar het hoofd -: ik slingerde het hun naar het hoofd
smaken: het diner smaakte hun heel goed
smarten: het smartte hun, maar ze moesten het doen
smeken: ik smeekte het hun
snel, te - af zijn: ik ben hun te snel af
snoeren, de mond -: hij snoert hun de mond
sommeren: zij sommeerden hen te vertrekken
spaak, een - in het wiel steken: ik stak hun een spaak in het wiel
spijten: het speet hun
spoor, op het - komen: ik kwam hun op het spoor via Facebook
spreken: ik spreek hen morgen nog wel
sprookjes vertellen: ik vertelde hun geen sprookjes
staan: dat staat hun goed
staan, te - komen: dat komt hun duur te staan
staan, voor ogen -: de gevolgen staan hun helder voor ogen
staat, in - stellen: we hebben hen in staat gesteld te reageren
stellen, een vraag -: ik stelde hun een vraag
stellen, in het vooruitzicht -: er was hun een vakantie in het vooruitzicht gesteld
stellen, in kennis -: hij heeft hen in kennis gesteld
stellen, op de hoogte -: ik stelde hen ervan op de hoogte
steun, tot - zijn: zij was hun tot steun in moeilijke tijden
steunen: zij steunden hen door dik en dun
storen: zijn reactie stoorde hen zeer; ik deed heel zachtjes want ik wilde hen niet storen
strekken, tot eer -: dit strekt hun tot eer
strot, door de - duwen/douwen: het werd hun door de strot geduwd/gedouwd
stuipen, de - op het lijf jagen: ik joeg hun de stuipen op het lijf
sturen, op pad -: ik heb hen op pad gestuurd
sturen: ik heb hun het pakje gestuurd
succes wensen: hij wenste hun veel succes
suggereren: ik suggereerde hun een andere aanpak te volgen

regels A B C D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z

T

tand, aan de - voelen: ik voelde hen aan de tand
te (te lang, te ver e.d.): het duurt hun te lang; het ging hun te ver; het is hun te duur
te binnen schieten: het schoot hun opeens te binnen
tegemoet dansen: ik danste hun tegemoet
tegemoetkomen: ik kwam hun tegemoet
tegemoet lopen: ik liep hun tegemoet
tegemoet rijden: ik reed hun tegemoet
tegemoet snellen: ik snelde hun tegemoet
tegengeuren: de bloemen geurde hun tegen
tegenhouden: er is niets wat hen kan tegenhouden
tegenstaan: het hele idee stond hun tegen
tegenstreven: hij streefde hun tegen in hun beslissingen
tegenvallen: de reis viel hun tegen
tegenwerken: ik werk hen echt niet tegen
tegenwerpen: ik wierp hun tegen dat ik juist wel geluisterd had
tegenzitten: alles zat hun tegen
tekortdoen: hij deed hun/hen tekort (beide mogelijk)
te kort door de bocht zijn: dat was hun te kort door de bocht
teleurstellen: mijn weigering stelde hen teleur
ter wille zijn: ik was hun graag ter wille geweest
terugbetalen: ik betaalde het hun met rente terug; ik betaalde hun met gelijke munt terug
teruggeven: ik gaf hun hun eigendommen terug
terugsturen: ik stuurde hun de groeten terug
terugzenden: ik zond hun het ondertekende contract terug
te veel moeite zijn: me even naar huis brengen was hun kennelijk te veel moeite
te veel zijn: niets was hun te veel
toebedelen: hun was een zwaar lot toebedeeld
toebehoren: dat servies behoorde hun toe
toebrengen: de hele affaire bracht hun een diepe wond toe
toedelen: hij deelde hun de helft toe
toedragen, een warm / goed hart - : zij draagt hun een warm / goed hart toe
toefluisteren: ik fluisterde hun mijn lof toe
toegenegen zijn: ik was hun altijd toegenegen
toegeven: ik moest hun toegeven dat ze gelijk hadden
toegooien: ik gooide hun de bal toe
toejuichen: ik juichte hen toe
toekennen: ik kende hun de rol van ceremoniemeester toe
toekeren: ze keerde hun de rug toe
toeknikken: hij knikte hun vriendelijk toe
toekomen: die eer komt hun toe; het hun toekomende bedrag
toelachen: het geluk lachte hun toe (figuurlijk); de koningin lachte hen toe (letterlijk)
toeroepen: ik riep het hun toe
toeschijnen: het scheen hun toe dat ...
toeschrijven: die misdaad werd hun toegeschreven
toesnauwen: zij snauwden hun toe dat zij stil moesten zijn
toespreken: ik sprak hen toe
toestaan: ik stond hun drie wensen toe
toesteken: ik stak hun een zakcentje toe
toestoppen: ik stopte hun een zakcentje toe
toesturen: ik stuurde hun de formulieren toe
toevallen: de erfenis viel hun toe
toevertrouwen: ik vertrouwde hun toe dat ik ontslag zou nemen; ik vertrouwde het hun met een gerust hart toe
toewensen: ik wenste hun veel succes toe
toewerpen: ik wierp hun het touw toe
toewijden: ik ben hun zeer toegewijd
toewijzen: ik wees hun de tuinkamer toe
toezeggen: ik zegde hun toe dat ik mijn best zou doen
toezenden: ik zond hun de formulieren toe
tonen: ik toonde hun het hele huis
tong uitsnijden: hun werd de tong uitgesneden
trakteren: hij trakteerde hen op een ijsje
treffen (blaam): hen treft geen blaam
treffen (gelijkenis): de gelijkenis trof hen
tutoyeren: we mochten hen tutoyeren
typeren: die gulheid typeert hen

regels A B C D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z

U

uitbetalen: ik betaalde hun in contanten uit
uitbrander geven: ze gaf hun een uitbrander
uitbreken: het angstzweet brak hun uit
uitdagen: zij willen een baan die hen uitdaagt
uitgeleide doen: de hele buurt deed hun/hen uitgeleide (allebei mogelijk)
uitkomen: de bespreking komt hun nu goed uit
uitkopen: zij kocht hen uit
uitkotsen: de maatschappij kotste hen uit
uitleggen: ik legde hun uit waar het om ging
uitlenen: ik leende hun mijn fietstassen uit
uitmaken: het maakt hun niets uit
uitnodigen: ik nodigde hen uit
uitslaan: hij sloeg hun allebei een tand uit
uitsmijten: David heeft Goliat een oog uitgesmeten
uittrekken (iemand iets -): ik trok hun de jas uit
uitvegen, de mantel -: ze veegde hun de mantel uit

regels A B C D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z

V

vaarwater, in het - zitten: ik zat hun in het vaarwater
vel, het - over de oren halen/trekken: hij haalde hun het vel over de oren
ver, te - gaan: dat gaat hun te ver
verachten: zij verachtte hen
verbazen: het verbaast hun/hen (beide mogelijk)
verbieden: ik verbood hun naar de stad te gaan
verdeeld houden: wat is het dat hen verdeeld houdt?
verdriet doen: het doet hun veel verdriet
verenen: liefde vereende hen
vergaan: de lust vergaat hun; horen en zien verging hun; hoe vergaat het hun in Australië?
vergeven (= 'kwijtschelden'): ik heb hun die fout vergeven
vergeven (= 'pardonneren, excuseren'): ik heb hen vergeven; hen vergeef ik nooit
vergeven (= 'vergiftigen'): hij heeft hen vergeven met cyaankali
vergoeden: ik vergoed hun alle schade
verhalen: hij verhaalde hun hoe hij jaren had gezworven
verheugen: het verheugt hen weer terug te zijn
verklappen: ik verklapte hun het geheim
verklaren (de oorlog -): ze verklaarden hun de oorlog
verkondigen: ik verkondigde hun de blijde boodschap
verkopen: ik verkocht hun de hele collectie
verlaten: zijn vrouw had hen verlaten
verlenen: ik verleende hun voorrang, maar toch toeterden ze boos
verliezen: mijn ouders zijn overleden; ik vond het vreselijk hen te verliezen
verlossen: de soldaten verlosten hen
vermaken: ik vermaakte hen met mijn grappen
vermoorden: de sluipschutter vermoordde hen
verplichten: de leraar verplicht hen te komen
verplichting, een - opleggen: ik legde hun een verplichting op
verplicht zijn: dat ben ik hun wel verplicht
verraden: ze verraadden hen
verrassen: we hebben hen verrast
verschaffen: ik verschafte hun het benodigde materiaal
verschijnen: in die grot zou Maria hun verschenen zijn
verschuldigd zijn: ik ben hun veel dank verschuldigd
versieren: als die meiden leuke jongens zien, proberen zij hen meteen te versieren
verslaan: ik versloeg hen allemaal
verslag doen: zij deed hun verslag van de expeditie
versperren: de agent versperde hun de weg
verstrekken: ik verstrekte hun het materiaal
vertellen: ik vertelde hun waar het om ging
vertonen: ik vertoonde hun mijn kunsten
vertrouwd zijn: ze hadden heimwee naar alles wat hun vertrouwd was
vertrouwen: ik vertrouwde hen
vertrouwen geven: hij gaf hun vertrouwen
vervelen: zijn geklets verveelde hen al snel
verwaardigen: het verwaardigde hun niet te antwoorden
verwijderen: de politie verwijderde hen
verwijten: de nabestaanden verwijten hun nalatigheid
verwijten maken: ze begonnen hun meteen verwijten te maken
verwijzen: de vuilnisman verwees hen naar de milieustraat
verwonderen: de gang van zaken verwonderde hen
verzekeren: ik verzekerde hun mijn best te zullen doen
verzoeken: ik verzocht hun te vertrekken/ik verzocht hen te vertrekken (allebei mogelijk)
verzorgen: de pleegouders verzorgden hen liefdevol
vliegen afvangen: hij ving hun vliegen af
vlug, te - af zijn: ik was hun te vlug af
voegen: die toon voegde hun niet
voelen, aan de tand -: ik voelde hen aan de tand
voet, de - dwars zetten: ik zette hun de voet dwars
voeten, voor de - lopen: hij liep hun de voor de voeten
voeten, voor de - werpen: ik wierp hun de waarheid voor de voeten
volgen: ik kan hen niet volgen
voorbijgaan: ik ging hun voorbij, en dat konden ze niet verkroppen
voorbijlopen: ik liep hun voorbij met mijn neus in de wind
voorbijsnellen: ik snelde hun voorbij zodat ik geen praatje hoefde te maken
voorbijstreven: na enkele maanden streefde ik hun voorbij
voorbijvliegen: ik vloog hun voorbij op mijn scooter
voor blijven: we moeten hun voor blijven
voordoen: wil jij het hun even voordoen?
voorgaan: pastor Jansen gaat hun voor in de mis
voorgaan: zij durfden pas naar binnen nadat Mary hun was voorgegaan
voorhouden: ik hield hun voor dat ze nog een kans hadden
vóórkomen: het komt hun raar voor dat we twee afwasmachines hebben
voorleggen: ik legde hun mijn dilemma voor
voorleven: hij leefde hun een ideaal voor
voorlezen: ik las hun voor uit Pluk van de Petteflet
voorrekenen: hij rekent hun de winst voor
voorschotelen: de discussieleider schotelde hun een dilemma voor
voorschrijven: de dokter schreef hun kalmeringstabletten voor
voorspellen: ik voorspelde hun dat zij het ver zou brengen
voorspiegelen: hij spiegelde hun grote winsten voor
voorstellen aan: ik wilde hen voorstellen aan de freule
voorstellen: ik wilde hun net voorstellen aan tafel te gaan
vooruitgaan: hij ging hun vooruit om het nieuws te vertellen
vooruitzicht, in het - stellen: er was hun een vakantie in het vooruitzicht gesteld
voorzeggen: het antwoord werd hun voorgezegd
voorzetten: ik zette hun soep voor
voorzien van: ik voorzag hen van soep
vóór zijn: zij wilden de laatste pakken, maar ik was hun voor
vousvoyeren: wij vousvoyeerden hen
vraag stellen: ik stelde hun een vraag
vragen (= 'een vraag stellen (aan)'): ik vroeg hun waar de koffie stond; ik vroeg hun hoeveel 13 x 13 was
vragen (= 'aansporen'): ik vraag hen/hun om de dozen uit te pakken; ik vroeg hen/hun de eieren alvast te koken (beide mogelijk)
vragen (= 'uitnodigen'): ik vraag hen op de thee
vragen naar (= 'uithoren over'): ik vroeg hen/hun naar de gezondheid van oma (beide mogelijk)
vragen voor ( = 'informeren bij iemand naar beschikbaarheid voor'): de voorzitter vroeg hen voor die functie
vreemd worden: alles wat vertrouwd was, is hun vreemd geworden
vrij staan: het staat hun vrij dat te doen
vuur, het - na aan de schenen leggen: hij legde hun het vuur na aan de schenen

regels A B C D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z

W

waard zijn: hun gezondheid was hun heel wat waard
waardig, geen blik - keuren: ze keurde hun geen blik waardig
wacht aanzeggen: de directie zegt hun zomaar de wacht aan
wachten, te - staan: wat staat hun nog te wachten?
wachten: hun wachtte een groot avontuur
warm, een - hart toedragen: zij draagt hun een warm hart toe
water, het - tot de lippen staan: het water staat hun tot de lippen
weerhouden: de regen weerhield hen er niet van te gaan wandelen
weerstaan: ik weet zeker dat ik hen/hun weersta (beide mogelijk hun is verouderd)
weg, de - wijzen: zij wees hun geduldig de weg
weg, in de - leggen: ik legde hun geen strobreed in de weg
weg, in de - lopen: ik liep hun alleen maar in de weg
weg, in de - staan: er stond hun niets in de weg
weg, in de - zitten: ik zat hun in de weg
weg, uit de - gaan: ik ga hun het liefst uit de weg
wegduwen: ik duw hen weg
wegsturen: ik stuur hen weg
weigeren: ik weiger hun mijn diensten
welgevallig: die oplossing was hun gelukkig welgevallig
welgezind zijn: hij is hun altijd welgezind geweest
welkom heten: ik heette hen van harte welkom
wensen: ik wens hun alle goeds; ik wenste hun gelukkig nieuwjaar
wielen, in de - rijden: ik reed hun in de wielen
wijsmaken: ik maakte het hun wijs
wijzen, de deur -: hun werd de deur gewezen
wijzen op: ik wees hen/hun erop dat ze te laat waren (beide mogelijk; hun is verouderd)
wille, ter - zijn: ik was hun ter wille
wind, voor de - gaan: het gaat hun voor de wind
wind, de - uit de zeilen nemen: zijn charme nam hun de wind uit de zeilen
windeieren leggen: dat legt hun geen windeieren
woord, te - staan: de minister stond hen te woord
woorden, de - uit de mond halen: ze zeiden dat ik hun de woorden uit de mond haalde
worst wezen: dat niet iedereen zo vroeg aanwezig kan zijn, zal hun kennelijk worst wezen

regels A B C D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z

Z

zand in de ogen strooien: zijn eerlijke voorkomen strooide hun zand in de ogen
zeggen: ik zei hun even te wachten met eten; hij kwam langs om hun te zeggen wat er moest gebeuren
zeggen, gedag -: Anna zei hun/hen gedag
zenden: ik zond hun een fax
zetten, op het verkeerde been -: je hebt hen op het verkeerde been gezet
zien: wij zagen hen gisteren nog
zijde, ter - staan: ik stond hun ter zijde
zijn: als ik hen zou zijn, als ik hen was
zijn: het is hun te duur
zin, naar de - maken: ik maakte het hun zo veel mogelijk naar de zin
zinken: de moed zinkt hun in de schoenen
zitten ('een gevoel teweegbrengen'): dat zat hun niet lekker; dit zit hun nogal hoog; het zit hun tot hier
zitten ('passen'): die kleren zaten hun niet lekker, zaten hun te ruim (een) zorg zijn: het zal hun een zorg zijn
zuur opbreken: hun ongetraindheid brak hun zuur op
zwaar vallen: het vertrek viel hun zwaar
zwart voor de ogen worden: het werd hun zwart voor de ogen
zweren: ik zwoer hun dat ik de waarheid sprak

regels A B C D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z

Verwante adviezen

Trefwoorden

terug
voorjaarsbanner

banner ITV

taalkalender