Deze zin bevat een naamwoordelijk gezegde. Was is een koppelwerkwoord. Als naamwoordelijk deel van het gezegde is hen juist.

Hun komt voor als bezittelijk voornaamwoord (‘Chris aaide hun hond’), als meewerkend voorwerp (‘Ik geef hun de cadeaus’), als belanghebbend voorwerp (‘Ik schenk hun een borrel in’) en als ondervindend voorwerp (‘Dat valt hun zwaar’).

Hen wordt gebruikt na voorzetsels (‘Ik geef de cadeaus aan hen’; ‘Ik deed het voor hen’), als lijdend voorwerp (‘Ik heb hen gisteren gezien’), als naamwoordelijk deel van het gezegde (‘Als ik hen was’) en als oorzakelijk voorwerp (‘We zijn hen beu’).

Handig hulpmiddel: de Taal*maat

In de Taal*maat Hun, hen of ze? komen de regels voor het gebruik van hun en hen stap voor stap voorbij in een stroomdiagram. Gebruik de Taal*maat om de regels echt in de vingers te krijgen!

Toch nog een vraag?

Onze taaladviseurs staan elke werkdag voor je klaar. Neem contact op via

Bel 085 00 28 428 van 9.30 tot 12.00 uur (op donderdag tot 11.00 uur) en van 13.30 tot 16.00 uur Bel 085 00 28 428 van 9.30 tot 12.00 uur (op donderdag tot 11.00 uur) en van 13.30 tot 16.00 uur

(gebruikelijke belkosten, geen extra kosten)

Of stel je vraag via social media of per mail