Print deze pagina

Ei / ij: twijfelgevallen

Wat is juist: dat lijdt geen twijfel of dat leidt geen twijfel?

Dat lijdt geen twijfel is juist. Deze combinatie komt voor in zinnen als 'Het lijdt nauwelijks twijfel dat een kind behoefte heeft aan regelmaat' en 'Het lijdt geen twijfel dat over opvoeding zeer verschillend gedacht wordt.' Lijden betekent hier 'toestaan'; er staat letterlijk 'er is geen ruimte voor twijfel', met andere woorden: 'het is zeer duidelijk'.

Leiden heeft de betekenissen 'voeren' (een druk leven leiden, iemand om de tuin leiden, zich laten leiden door eigenbelang) en 'de leiding hebben' (de koers leiden, een onderneming leiden).

De keuze voor de ij of de ei is soms lastig. Elders op deze website leest u meer over het ontstaan van de ij en vindt u enkele vuistregels voor de keuze tussen ij en ei. Hieronder staat een lijst lastige ei/ij-twijfelgevallen.

Met lange ij is juist:

  • aaneenrijgen
  • abdij
  • accijns
  • afgrijzen
  • afwijken
  • afwijzen
  • afzijdig
  • alexandrijn
  • allerijl (in allerijl)
  • amandelspijs
  • andijvie
  • anijs
  • appetijtelijk
  • aquamarijn
  • averij
  • bangeschijter
  • beddentijk
  • begijn
  • beklijven
  • belijden
  • benedijen
  • benijden
  • benijdenswaardig
  • berijden (= rijden op)
  • berijpt (= met rijp bedekt)
  • bestrijden
  • iemand laten betijen
  • betwijfelen
  • iemand bevrijden
  • bezijden de waarheid
  • billijken (= goedkeuren)
  • bijt ('een vreemde eend in de bijt')
  • bijten
  • boerderij
  • bombazijn
  • bramzijgertje
  • brandbijt
  • brij
  • brijig
  • brijpot
  • celestijner
  • chagrijn
  • cherubijn
  • deurstijl
  • dij
  • dijenkletser
  • dodijnen
  • dolfijn
  • doodtij
  • doordrijven ('zijn zin doordrijven')
  • doorzijgen (= filtreren)
  • dozijn
  • eendenbijt
  • eenzijdig
  • eregalerij
  • fijfel (= dwarsfluit)
  • fijmelen (= femelen)
  • fijt (= ontsteking in vingerkootje)
  • filistijnen
  • frijnen (= steenhouwerstechniek)
  • gebenedijd
  • gedijen ('gestolen goed gedijt niet')
  • geijkt
  • gekijf
  • gekwijl
  • geldsmijterij
  • gelijkzijdig
  • gelukstijding
  • gemijterd (= een mijter dragend)
  • gepolijst
  • getij
  • getijde
  • getijgerd (= gevlekt als een tijger)
  • in het gevlij komen
  • gewijd
  • gijn (= takel)
  • gijnbalk
  • gijpen (= zeilterm)
  • gijzelaar
  • girondijn
  • gladstrijken
  • grijns
  • grijnzen
  • habijt
  • hardlijvigheid
  • harlekijn
  • harpij
  • hermelijn
  • hongerlijder
  • hoogtijdagen
  • hooimijt (= hooischelf)
  • hooirijf (= hooihark)
  • hijgen
  • hijs ('een hele hijs')
  • hijsen
  • ijdel(heid)
  • ijken (= toetsen aan eisen, waarmerken)
  • ijkpunt
  • ijselijk
  • ijs en weder dienende
  • ijver
  • ijveren voor
  • ijzig
  • inlijsten
  • inwijden
  • inwijdingsfeest
  • inwrijven
  • jakobijn
  • kandij
  • kapsoneslijer
  • kapucijner (= peulvrucht, monnik)
  • kapucijnaap
  • karabijn
  • karmijnrood
  • karmozijn
  • karwij (= bepaalde plant)
  • kastijden
  • kastijding
  • katzwijm ('in katzwijm vallen')
  • kijf ('dat staat buiten kijf')
  • kijven
  • komijnekaas
  • kopij
  • kozijn
  • krijsen
  • krijt
  • Krijt (= tijdperk)
  • krijtperiode
  • krijtrots
  • kristallijnen
  • kwijlen
  • kwijten
  • kwijting
  • lamijnen (= zeurderig spreken)
  • librije (= oude kerk- of kloosterbibliotheek)
  • lij ('in de lij liggen', 'iemand in de lij brengen')
  • lijden (= ondergaan; 'het lijdt geen twijfel', 'een nederlaag lijden', 'schipbreuk lijden')
  • lijden ('iemand graag mogen lijden')
  • lijp (= niet goed snik, gek)
  • lijperd, lijpo
  • lijst (= opsomming, schilderijlijst, deurlijst)
  • lijster
  • lijve (aan de lijve ondervinden)
  • lijzijde
  • magazijn
  • marlijn (= soort zwaardvis)
  • marokijnen
  • mastgijn
  • mijden (= ontwijken)
  • mijmeren
  • (het) mijn en (het) dijn
  • mijt (= diertje)
  • mijter
  • naijleffect
  • naijverig
  • neersijpelen
  • neervlijen
  • neerzijgen
  • negorij (ook: negerij)
  • nijdas
  • nijgen (= buigen)
  • nijging (= groet met een buiging)
  • nijpend
  • nijptang
  • nijver
  • nijverheid
  • norbertijnenabdij
  • olijf, olijftak
  • omlijsten
  • ommezijde
  • onappetijtelijk
  • onbetwijfelbaar
  • onderwijl
  • onderzijde
  • ongelijkzijdig
  • ongepolijst
  • ontmijnen (= van mijnen ontdoen)
  • ontwijden (= ontheiligen)
  • onverwijld
  • oorvijg
  • openrijten
  • ophijsen
  • opvijzelen
  • overschrijden
  • pij (= kledingstuk)
  • pijl (om mee te schieten)
  • pijler (= steunpilaar)
  • prij (= kwaadaardige vrouw)
  • prijken ('haar naam prijkte boven aan de lijst')
  • pupilverwijding
  • rijgen
  • rijk
  • rijp
  • rijven (= harken)
  • rijzen (= omhooggaan)
  • rozemarijn
  • satijn
  • schrijlings
  • schrijnend
  • slijmen
  • slijmvlies
  • slijpen
  • slijten
  • spijs
  • splijten
  • stampij, stampei (beide mogelijk)
  • stijfsel
  • stijgen
  • stijl (= manier; 'dat is geen stijl', 'klassieke stijl')
  • stoïcijns
  • strijken ('met de hand over het hart strijken')
  • tapijt
  • tij (het tij keren)
  • tijding (= bericht)
  • tijk (= een soort stof)
  • tijm, tijmhoning, tijmsiroop
  • twijg
  • uitdijen
  • uitwijken
  • ultramarijn
  • verbrijzelen
  • vermaledijd
  • verstrijken ('de tijd verstrijkt')
  • verwijden (= wijder maken)
  • verwijderen
  • vijg
  • vijlen (= met een vijl (be)werken)
  • vlijen (= neerleggen; 'zich neervlijen op het gras')
  • vlijmscherp
  • vlijt, vlijtig
  • vrijen, vrijpartij, vrijage
  • weerszijden
  • wereldwijd
  • wijl ('een korte wijl', 'bij tijd en wijle')
  • wijd ('iets wijds dragen', 'de wijde wereld in trekken')
  • wijden (= door zalving inhuldigen)
  • wijdverbreid
  • wijken ('van geen wijken weten')
  • zelfkastijding
  • het zij zo, hoe dit ook zij, wat dies meer zij

Met korte ei is juist:

  • aambei
  • aanlegsteiger
  • aanreiken
  • aardbei
  • achteruitdeinzen
  • afgepeigerd
  • afleiden
  • afscheid
  • afwasteil
  • afzeiken
  • akelei (= plant)
  • asjeweine
  • bakkeleien
  • bakzeil halen
  • balein
  • beddensprei
  • begeleiden
  • beiaard
  • beiden ('beidt/beid uw tijd')
  • beider ('u beider aanwezigheid')
  • beiderlei
  • beieren
  • beitel
  • beits
  • bepleistering
  • bepleiten
  • bereiden ('klaarmaken')
  • boekweit
  • breidelen
  • breien
  • breigaren
  • caleidoscopisch
  • cichorei
  • contreien
  • deimt (= halve hectare)
  • deinen, deining
  • dieptepeilen (= de diepte van het water peilen)
  • dopheide
  • dreinen
  • drieërlei
  • dweil, dweilen
  • enerlei
  • (op) enigerlei (wijze)
  • feilbaar
  • feilen (= zich vergissen, tekortschieten)
  • feilloos
  • feit (= iets wat vaststaat of gebeurd is)
  • fontein
  • futiliteit
  • galei, galeislaaf
  • gebakkelei
  • gebeier
  • gedrein
  • geheid (= zeer vast, duidelijk)
  • geigerteller
  • geilen (= seksuele lust hebben)
  • geintje (= grapje)
  • geiser
  • geisha
  • gelei
  • geleidehond
  • geschrei
  • geteisem
  • getreiter
  • geveinsd
  • gevlei (= vleierij)
  • gevleid
  • gewei (= stel hoorns)
  • gezeik
  • gezichtseinder
  • glühwein
  • greintje
  • hakbeitel
  • halsreikend
  • heibeien (= tieren)
  • heibel (schoppen)
  • heide, heidelandschap
  • heiden
  • heien (= met een heiblok instampen)
  • heiig
  • heikel
  • heikneuter
  • heilloos
  • heilstaat
  • heilwens
  • heimachine
  • heimat
  • heimwee
  • heisa
  • herleiden
  • inbreien
  • inheien
  • inleiden
  • inseinen
  • karwei (= klus)
  • kassei, kasseiweg
  • kastelein
  • keilen (= gooien)
  • keilbout
  • kleiduif
  • kleien
  • kleiig
  • klepzeiken, klapzeiken
  • koddebeier
  • konterfeitsel
  • labbeien (= babbelen)
  • lakei
  • lamprei (= jong konijn, bepaalde vis)
  • leiband
  • leidekker
  • leiden (= brengen, (aan)voeren; 'dit leidt nergens toe', 'ik leid een zomerkamp')
  • leidmotief, leitmotiv
  • leidsels
  • leidsman
  • leidsvrouw
  • leigrijs
  • leisteen
  • leverpastei
  • livrei
  • Magere Hein
  • Maleier (zo dronken als een -)
  • marjolein (= bepaalde plant)
  • marsepein
  • meedeinen
  • meiboom
  • meieren
  • meikever
  • melkwei
  • moerbei
  • neigen (= overhellen; 'geneigd zijn tot iets')
  • neiging ('de neiging hebben tot iets')
  • omheinen
  • ongebreideld
  • ontoereikend
  • ontweien (= schoonmaken voor bereiding)
  • pastei
  • peil (= niveau; waterpeil, 'ergens geen peil op kunnen trekken')
  • peilen ('de diepte peilen', 'de markt peilen', 'iemand niet kunnen peilen')
  • peinzen
  • plaveien
  • pleidooi
  • pleister
  • poppedeine
  • porselein
  • postelein (groente)
  • prei (= groente)
  • rammeien (= met een stormram inrammen)
  • reidans
  • reiger (= vogel)
  • reiken naar
  • reikhalzend
  • reikwijdte
  • reilen en zeilen
  • reinheid
  • schreien
  • spelemeien ('voor zijn plezier naar buiten gaan')
  • sprei
  • spreiden
  • stampei, stampij (beide mogelijk)
  • steiger (= stellage, stelling; aanlegplaats)
  • steil (= loodrecht (afhangend), 'steil haar', 'ergens steil van achterover slaan')
  • steilorig (= met steile oren, koppig)
  • steiltang (= om haar te ontkrullen)
  • teil
  • terugdeinzen
  • toereikend
  • treiteren
  • uilezeik, uilenzeik
  • uitweiden over (= uitvoerig spreken over)
  • vakantiespreiding
  • vallei
  • veil (= omkoopbaar, beschikbaar)
  • veilen (= te koop aanbieden)
  • veiling
  • veinzen
  • verbreiden
  • vermeien (= zich vermaken)
  • vleien (= overdreven prijzen)
  • weids
  • weifelen
  • weigeren
  • weitas
  • zeiken
  • zeilen
  • zeis
  • zweien (= haaks zetten)

Trefwoorden

terug
voorjaarsbanner

banner ITV

taalkalender