Zijn Jan z’n fiets en Emma d’r fiets goed, of moet je altijd Jans fiets en Emma’s fiets zeggen?
In spreektaal en informeel taalgebruik zijn Jan z’n fiets en Emma d’r fiets heel gebruikelijk. In formelere spreektaal en in neutraal-zakelijke geschreven taal kom je dit gebruik van z’n en d’r minder vaak tegen. Jans fiets en Emma’s fiets zijn dan veel gebruikelijker.
In spreektaal en informeel taalgebruik zijn Jan z’n fiets en Emma d’r fiets heel gebruikelijk. In formelere spreektaal en in neutraal-zakelijke geschreven taal kom je dit gebruik van z’n en d’r minder vaak tegen. Jans fiets en Emma’s fiets zijn dan veel gebruikelijker.
Jan z’n fiets en Emma d’r fiets zijn zeker niet ‘fout’: het gaat hier om een grammaticaal juiste constructie. Ook Jan zijn fiets en Emma haar fiets komen voor, dus met de nadrukkelijke vormen zijn en haar. Deze constructie komt vaak voor in de informele spreektaal en bijvoorbeeld in appjes en berichtjes op sociale media.
In formele taal past dit gebruik van z’n/zijn en d’r/haar niet goed. Dus ‘Von der Leyen haar toespraak werd goed ontvangen’ is niet zo geschikt als het de bedoeling is serieuze, ‘nette’ (schrijf)taal te hanteren. Dan is Von der Leyens toespraak of de omschrijving de toespraak van Von der Leyen een betere keuze. De taalnorm komt in dit geval vooral neer op de vraag: wanneer is het gepast deze informele vormen te gebruiken?
Vertrouwd of bekend
Jan z’n fiets en Emma d’r fiets gebruik je vooral als je Jan en Emma ook goed kent. Die vertrouwdheid klinkt ook door in m’n vader z’n werk en de buurvrouw d’r motor. Bij personen die ver van je af staan, komt de constructie met z’n of d’r raar of ironisch over: Máxima d’r toespraak, de paus z’n gebed. Ook de fiets z’n frame en de tas d’r hengsel klinken vreemd, omdat het hier niet om levende wezens gaat. Bij dieren kun je de constructie wel gebruiken: onze Minoes d’r gespin, Bello z’n mand.
Eeuwenoude constructie
Constructies zoals Jan z’n/zijn fiets en Emma d’r/haar fiets zijn niet nieuw: ze kwamen in de Middeleeuwen al voor. Klik op het tabblad ‘Achtergrond’ hierboven om hier meer over te lezen.
Blij met deze uitleg?
Met een donatie van € 5 steun je Onze Taal. Bedankt!
Hoe is ‘Jan z’n fiets’ ontstaan?
Constructies zoals Jan z’n/zijn fiets kwamen in de Middeleeuwen al voor, zoals die here sijn wegen. In de zeventiende eeuw begonnen grammatici ze af te keuren. Daardoor is er in de schrijftaal een negatief oordeel ontstaan: alleen Jans fiets was ‘netjes’ genoeg om op te schrijven. In de spreektaal is de variant Jan z’n fiets nog altijd springlevend, zowel in Nederland als in België. De taalnorm die zegt dat Jan z’n fiets en Emma d’r fiets niet passend zijn in formelere spreektaal en zakelijk-neutrale schrijftaal, leeft ook nog steeds.
De constructie is als volgt ontstaan. In bijvoorbeeld ‘Ze hebben Jan z’n paard ontstolen’ is Jan eigenlijk het indirect object: zijn paard wordt ‘aan hem’ ontstolen. In de loop van de tijd werd deze zin anders opgevat: Jan z’n paard werd als een bij elkaar horende woordgroep beschouwd. Daardoor werd in zinnen als ‘Ze hebben Jan z’n paard gestolen’ Jan z’n paard als lijdend voorwerp opgevat. Vervolgens ging men ook zinnen maken als ‘Jan z’n paard is gestolen’, waarin Jan z’n paard het onderwerp van de zin is.
Bezits-s
Het alternatief voor Jan z’n fiets is Jans fiets, met een zogenaamde bezits-s. Die bezits-s kun je zowel aan mannennamen als aan vrouwennamen plakken. Dat laatste lijkt historisch gezien vreemd, want de genitief-s hoort bij mannelijke woorden. De bezits-s is ontstaan uit tweede naamvallen als de dochter des priesters en het huis Jakobs. Al in de Renaissance werd die bezitsvorm meestal vóór het zelfstandig naamwoord gezet: des priesters dochter, Jakobs huis. Bovendien werd de uitgang -s ook toen al voor vrouwen gebruikt: in de zestiende eeuw kwam bijvoorbeeld mijns moeders tale voor (‘de taal van mijn moeder’). Emma’s fiets is dus al eeuwenlang algemeen geaccepteerd.