Wat is een werkwoord?

Een werkwoord is een woord dat aangeeft welke handeling of toestand of welk proces in de zin centraal staat. Voorbeelden van werkwoorden zijn gaan, slapen, blijken, zijn en veranderen.

Werkwoorden geven aan in welke tijd de zin staat: de verleden tijd, de tegenwoordige tijd of de toekomende tijd. Dat kan allemaal in één werkwoord, maar er kunnen ook twee of meer werkwoorden voor gebruikt worden.

  1. Ik ga met de trein naar mijn werk. (eerste persoon enkelvoud, tegenwoordige tijd)
  2. De meisjes hebben de hele middag verstoppertje gespeeld. (derde persoon meervoud, voltooid tegenwoordige tijd)

Het werkwoord dat zich aanpast aan het onderwerp van de zin, is de persoonsvorm: als het onderwerp in de eerste persoon enkelvoud staat, moet het werkwoord dat ook zijn. Als het onderwerp een meervoud is in de derde persoon, is de persoonsvorm dat ook. Dat verschijnsel van aanpassing heet congruentie. Als er maar één werkwoord in de zin staat, is dat de persoonsvorm.

Hoofdwerkwoorden en hulpwerkwoorden

Als in een zin meer dan één werkwoord staat, is een van die werkwoorden het hoofdwerkwoord. De andere werkwoorden zijn hulpwerkwoorden. Het hoofdwerkwoord heeft de vorm van een voltooid deelwoord of het hele werkwoord, ook wel de infinitief genoemd. Het hoofdwerkwoord is onmisbaar; als het wordt weggelaten uit de zin blijft een ongrammaticale zin over. In de tweede zin hierboven kan hebben worden weggelaten: 'De meisjes speelden de hele middag verstoppertje.' (De zin moet wel wat 'omgebouwd' worden: 'De meisjes de hele middag verstoppertje gespeeld' is natuurlijk geen correcte zin.) Zonder spelen is de zin echter niet meer te begrijpen: 'De meisjes hebben de hele middag verstoppertje.' Hebben is hier het hulpwerkwoord. Zinnen met meer dan één hulpwerkwoord zijn ook mogelijk: 'Hij zou zich wel uit zo'n situatie hebben weten te redden' heeft maar liefst vier werkwoorden. Welk is daarvan het hoofdwerkwoord? Daar is achter te komen door de werkwoorden één voor één weg te strepen:

  1. Hij heeft zich wel uit zo'n situatie weten te redden.
  2. Hij weet zich wel uit zo'n situatie te redden.
  3. Hij redt zich wel uit zo'n situatie.

Redden blijft in de laatste zin over, en is dus het hoofdwerkwoord.

Zelfstandige werkwoorden en koppelwerkwoorden

Hoofdwerkwoorden zijn er in twee soorten: zelfstandige werkwoorden en koppelwerkwoorden.

  1. Heb jij de nieuwste Harry Potter al gelezen? (heb is hulpwerkwoord van tijd; het hoofdwerkwoord gelezen is een zelfstandig werkwoord)
  2. Zij is lange tijd voorzitter geweest. (is is hulpwerkwoord van tijd; het hoofdwerkwoord geweest is een koppelwerkwoord)