Overgankelijke werkwoorden worden door taalkundigen ook wel transitieve werkwoorden genoemd. Onovergankelijke werkwoorden zijn intransitief.

Sommige werkwoorden hebben altijd een lijdend voorwerp bij zich: ‘Ik maak een foto.’ Alleen ‘Ik maak’ is geen goede zin; er moet een lijdend voorwerp bij, bijvoorbeeld een foto.

Andere werkwoorden hebben juist nooit een lijdend voorwerp: ‘Ze sliep’ en ‘Ik zit’ zijn volledige zinnen. ‘Ik zit een stoel’ is geen goede zin en in ‘Ik zit op een stoel’ is op een stoel geen lijdend voorwerp.

Veel werkwoorden hebben soms wel, en soms geen lijdend voorwerp bij zich:

  • Mijn vader kookt. (onovergankelijk)
  • Mijn vader kookt aardappels. (overgankelijk)
  • Zij schrijft haar zusje wekelijks. (onovergankelijk)
  • Zij schrijft haar zusje een e-mail. (overgankelijk)

Toch nog een vraag?

Onze taaladviseurs staan elke werkdag voor je klaar. Neem contact op via

Bel 085 00 28 428 van 9.30 tot 12.00 uur (op donderdag tot 11.00 uur) en van 13.30 tot 16.00 uur Bel 085 00 28 428 van 9.30 tot 12.00 uur (op donderdag tot 11.00 uur) en van 13.30 tot 16.00 uur

(gebruikelijke belkosten, geen extra kosten)

Of stel je vraag via social media of per mail