Wat voor soort woord is je in de zin ‘Ik heb je gezien’?

Je is hier een persoonlijk voornaamwoord. Dat geldt ook voor ik

Persoonlijke voornaamwoorden verwijzen naar levende wezens of zaken, zonder die verder bij de naam te noemen: ikjou, zij, hen, hem, etc.

De vorm hangt af van:

  • de ‘persoon’: Als we over onszelf praten, gebruiken we de eerste persoon. Als je mensen aanspreekt, gebruik je de tweede persoon. Als iemand over andere mensen, dieren of dingen spreekt, gebeurt dat in de derde persoon.
  • het getal: enkelvoud (één mens of zaak) of meervoud (meer exemplaren)
  • het geslacht: mannelijk, vrouwelijk of onzijdig
  • de functie in de zin: als het voornaamwoord het onderwerp van de zin is, is de vorm anders dan wanneer het een andere functie heeft
  • de nadruk: de zogenoemde volle vormen en gereduceerde vormen
persoon onderwerpsvorm niet-onderwerpsvorm
volle vorm gereduceerd volle vorm gereduceerd
eerste enkelvoud ik 'k mij me
tweede enkelvoud jij, u je jou, u je
derde enkelvoud hij, zij ie, die, ze, het, 't hem, haar 'm, 'r, d'r, ze, het, 't
eerste meervoud wij we ons -
tweede meervoud jullie, u je jullie, u je
derde meervoud zij ze hen, hun ze

De vormen ie en die (vaak uitgesproken als tie) worden alleen gebruikt in informele taal direct na een persoonsvorm: 'Hoe gaat-ie?', 'Dat zal die wel niet meer doen.' Het is een persoonlijk voornaamwoord in zinnen als 'Weet je waar mijn boek is? Nee, ik heb het niet gezien.' Omdat het woord het vrijwel altijd wordt uitgesproken als [ut], is het te beschouwen als gereduceerde vorm.

De onderwerpsvorm wordt behalve als onderwerp van de zin ook gebruikt als aanspreekvorm en als naamwoordelijk deel van het gezegde.

  • Zij gaan in februari trouwen.
  • Mijn broer is twee jaar ouder dan ik.
  • Jij daar, kom eens hier!
  • 't Is een bijzonder kind, dat is-ie. (ie is naamwoordelijk deel)
  • Dat is opa, en dat is tante Emma, en dat ben jij. (jij is naamwoordelijk deel)

De niet-onderwerpsvorm wordt gebruikt als lijdend voorwerp of indirect object, na een voorzetsel en als naamwoordelijk deel van het gezegde. Daarnaast komt 'm voor in sommige vaste uitdrukkingen.

  • Sam zag haar gisteren nog. (haar is lijdend voorwerp)
  • Het is me wat! (me is indirect object)
  • Voor jou doe ik alles. (jou staat na een voorzetsel)
  • Als ik jou was, zou ik niet naar hem luisteren. (jou is naamwoordelijk deel van het gezegde)
  • Daar zit 'm de kneep. (vaste uitdrukking)