Hoe weet je of een woord een de-woord of een het-woord is?

Het Nederlands heeft twee bepaalde lidwoorden: het voor onzijdige woorden en de voor mannelijke en vrouwelijke woorden. Wie het Nederlands als moedertaal heeft, weet meestal vanzelf of een woord de of het krijgt. Maar voor buitenlanders die het Nederlands leren, is het voor het grootste deel een kwestie van uit het hoofd leren. Er zijn namelijk geen regels voor. Gelukkig is er wel enig houvast, hoewel er steeds uitzonderingen zijn.

De volgende categorieën woorden zijn over het algemeen het-woorden:

  • verkleinwoorden: het bloempje, het jongetje, het briefje
  • landen en plaatsen: het tolerante Nederland, het Duitsland van na de oorlog, het statige Den Haag
  • metalen: het ijzer, het kwik
  • sporten en spellen: het tennis, het scrabble, het yahtzee
  • stofnamen: het bier, het brood, het goud, het zilver, het hout
  • talen: het Nederlands, het Swahili, het Arabisch
  • windrichtingen: het noorden, het zuidwesten
  • woorden met twee lettergrepen die beginnen met be-, ge-, ver- en ont-: het belang, het geweer, het verstand en het ontzet
  • woorden die eindigen op -isme, -ment, -sel en -um: het communisme, het instrument, het kapsel en het museum
    maar: de óf het deksel, de recruitment, de overemployment en de datum

Let op: dit geldt voor het enkelvoud. In het meervoud krijgen alle zelfstandige naamwoorden het lidwoord de.

De volgende woorden zijn over het algemeen de-woorden:

  • vruchten, bomen en planten: de appel, de eik, de varen, de fuchsia
  • rivieren en bergen: de Waal, de Mount Everest
  • cijfers en letters: de vier, de x, de tussen-n
  • de meeste woorden die personen aanduiden: de ober, de boer, de buurvrouw
    maar let op: het Kamerlid en het afdelingshoofd.

Verder zijn woorden met de volgende uitgangen meestal de-woorden:

  • -heid, -nis: de waarheid, de kennis
  • -de, -te: de liefde, de diepte,
    maar verzameltermen met ge- ervoor zijn onzijdig: het gebergte
  • -ij, -erij, -arij, -enij, -ernij: de voogdij, de bakkerij, de rijmelarij, de woestenij, de razernij,
    maar: het schilderij
  • -ing, -st (achter een werkwoordstam): de wandeling, de winst, de dienst, de verbijfsvergunning
  • -ie, -tie, -sie, -logie, -sofie, -agogie: de familie, de politie, de visie, de biologie, de filosofie, de demagogie
  • -iek, -ica: muziek, logica,
    maar onzijdig zijn: het antiek, het elastiek en het publiek
    zowel de als het is mogelijk bij: diptiek, koliek, mozaïek, portiek, reliek, triptiek
  • -theek, -teit, -iteit: de bibliotheek, de puberteit, de stabiliteit
  • -tuur, -suur: de natuur, de censuur,
    maar: het avontuur, het barbituur, het fournituur, het postuur en de óf het montuur
  • -ade, -ide, -ode, -ude: de tirade, de planetoïde, de periode, de attitude,
    maar: niet-telbare stofnamen op -ide zijn onzijdig (bijvoorbeeld chloride en bromide)
  • -ine, -se, -age: de discipline, de analyse, de bagage,
    maar: het percentage, het promillage en de óf het bosschage, corsage, personage, vitrage en voltage;
  • -sis, -tis, -xis: de crisis, de bronchitis, de syntaxis;
    maar: het chassis.

Tot slot zijn er veel woorden die zowel de als het kunnen krijgen – soms met en soms zonder betekenisverschil. Een aantal hiervan wordt op onze website besproken: aas, cluster, deksel, doolhof, eigendom, fret, idee, intermediair, lpg, medicijn, pond, risico, scala, woorden op -schap, soort, spits en weblog.

Zie ook de Algemene Nederlandse Spraakkunst over het-woorden, de-woorden en woorden die zowel de als het kunnen krijgen.