Wat zijn lidwoorden?
Het Nederlands heeft drie lidwoorden: de, het en een. De en het zijn de bepaalde lidwoorden. Een is het onbepaald lidwoord.
De lidwoorden de, het en een staan voor zelfstandig naamwoorden, zoals vrouw, bus, uur. Je kunt ze ook voor woorden plaatsen die je als zelfstandig naamwoord gebruikt, zoals een werkwoord (‘Het wachten duurde lang’) of een bijvoeglijk naamwoord (‘Er is een rode en een blauwe muts. Mag ik de rode?’). Tussen het lidwoord en het woord waar het bij hoort, kunnen een of meer andere woorden staan, zoals bijvoeglijke naamwoorden en telwoorden. Enkele voorbeelden:
- De vrouw stond in het winderige bushokje te wachten.
- Zij werd het wachten beu. (het werkwoord wachten wordt hier gebruikt als zelfstandig naamwoord)
- Een vertraagde bus was wel het laatste waar ze op zat te wachten. (het bijvoeglijk naamwoord laatste wordt hier gebruikt als zelfstandig naamwoord)
- Na bijna een uur kwam in de verte eindelijk de vertrouwde gele bus aanrijden.
- De door haar zeer gewenste zitplaats was gelukkig beschikbaar.
De gebruik je bij mannelijke en vrouwelijke woorden en bij meervouden: de man, de commissie, de bond, de huizen. Het gebruik je bij onzijdige woorden in het enkelvoud: het paard, het mannetje. Er zijn helaas weinig regels te geven voor het gebruik van de of het. Moedertaalsprekers leren ‘vanzelf’ welk lidwoord het juiste is. Op deze pagina staan een paar vuistregels.
Het: ook een voornaamwoord
Het kan ook een persoonlijk voornaamwoord zijn. Bijvoorbeeld:
- Ik geef je het boek morgen, want ik ben het nu vergeten (het tweede het is een persoonlijk voornaamwoord)
- Het is warm!
- Hoe gaat het met je?
- Het was de overbuurman die zag dat onze auto beschadigd werd.
Een: ook een telwoord
Een kan ook een telwoord zijn. Bijvoorbeeld:
- Een, twee drie ... daar gaan we!
- Elk verdrietig kind in de klas is er een te veel.
Over het plaatsen van accenten op de e’s van het telwoord een lees je meer op deze pagina.
Blij met deze uitleg?
Met een donatie van € 5 steun je Onze Taal. Bedankt!