Wat is juist: ‘Om bij het station te komen, moet u die straat in rijden’ of ‘Om bij het station te komen, moet u die straat inrijden’?

In rijden kan hier het best los worden geschreven.

Of combinaties van een voorzetsel (in, over, aan, uit) en een werkwoord één woord vormen, hangt af van de betekenis. Als er een richting bedoeld is (de straat uit, het plein over, de straat in rijden), staat het voorzetsel los van het werkwoord.

  1. Als je deze straat in rijdt, ben je sneller bij het station.
  2. Toen hij de straat uit reed, keek hij nog één keer om.
  3. Ik zag hoe Ella het plein over liep.
  4. Het was twaalf uur toen ze haar bed uit kwam.

In veel andere gevallen vormen het voorzetsel en het werkwoord vaak één woord. Inrijden kan bijvoorbeeld gebruikt worden bij een nieuwe auto; de betekenis is ‘beginnen te gebruiken’. Het bestaan van zo’n ‘eigen’ betekenis is een belangrijke aanwijzing dat het voorzetsel aan het werkwoord vast moet worden geschreven. Of die eigen betekenis bestaat, kan vaak het best worden opgezocht in een woordenboek.

Hierbij moet wel bedacht worden dat het bovenstaande niet expliciet in de spellingregels wordt verwoord, en dat woordenboeken vaak hun eigen normen hanteren – bijvoorbeeld dat de aaneengeschreven variant in de praktijk vaker voorkomt dan de los geschreven variant. De Dikke Van Dale (2015) geeft bijvoorbeeld het bos inrijden en het water ingereden, waar wij (op grond van de grammatica en de betekenis) het bos in rijden en het water in gereden zouden schrijven. In de praktijk is het verschil tussen beide schrijfwijzen klein.