Wat is juist: ‘Wie schetst mijn verbazing’ of ‘Wat schetst mijn verbazing’?

Het is allebei mogelijk. ‘Wie schetst mijn verbazing’ krijgt vaak de voorkeur. Deze variant is het oudst. ‘Wat schetst mijn verbazing’ komt ook al zo’n vijftig jaar voor en is inmiddels gebruikelijker. 

In ‘Wie schetst mijn verbazing’ wordt schetsen gebruikt in de betekenis ‘in woorden weergeven’ (vergelijk ‘iemands karakter schetsen’). Letterlijk betekent de uitdrukking dus ‘Wie brengt mijn verbazing onder woorden?’ Bedoeld is: ‘ik ben (of: was) zeer verbaasd’. 

Oorspronkelijk kwam ‘Wie schetst mijn verbazing’ voor in combinatie met een bijzin in de verleden tijd. Bijvoorbeeld: ‘Wie schetst mijn verbazing toen het flink begon te sneeuwen.’ In deze zin is toen het flink begon te sneeuwen een bijwoordelijke bijzin. Dat werd later: ‘Wie schetst mijn verbazing dat het flink begon te sneeuwen.’ De bijzin kreeg daarmee een andere functie. In ‘Wie schetst mijn verbazing (erover) dat het flink begon te sneeuwen’ is dat het flink begon te sneeuwen namelijk een voorzetselvoorwerpszin. In deze zin zou schetsen niet alleen een lijdend voorwerp bij zich hebben (mijn verbazing), maar ook een voorzetselvoorwerpszin (dat het flink begon te sneeuwen). Dat kan grammaticaal niet.

Daarom ging men mijn verbazing als onderwerp lezen en veranderde men wie in wat: ‘Wat schetst mijn verbazing: het begon flink te sneeuwen.’ Wat wijst nu vooruit naar de bijzin het begon flink te sneeuwen. ‘Wat schetst mijn verbazing’ is een vaste formule geworden met de betekenis ‘Maar wat gebeurde er tot mijn verbazing?’

In Van Dale Hedendaags Nederlands en de Dikke Van Dale komen ‘Wie schetst mijn verbazing’ en ‘Wat schetst mijn verbazing’ allebei voor. De Dikke Van Dale noemt de versie met wat “informeel”.

Meer informatie over deze uitdrukking is te lezen op het weblog van de Taalprof.