Wat is juist: ‘Een voordeel is de kleine afstanden’ of ‘Een voordeel zijn de kleine afstanden’?

‘Een voordeel zijn de kleine afstanden’ heeft de voorkeur. De woorden de kleine afstanden worden dan als onderwerp van de zin opgevat.

Of de persoonsvorm van een zin enkelvoudig of meervoudig is, hangt af van het onderwerp. In de zin hierboven is niet direct duidelijk wat het onderwerp is: een voordeel of de kleine afstanden?

Vaak wordt in zulke gevallen het meervoudige deel als onderwerp aangevoeld. De persoonsvorm is dan ook meervoudig: ‘Een voordeel zijn de kleine afstanden.’ Het zinsdeel een voordeel is dan het naamwoordelijk deel van het gezegde: het is de eigenschap of hoedanigheid die aan het onderwerp wordt gekoppeld. De persoonsvorm zijn is in dit soort gevallen vaak te vervangen door vormen. Andere voorbeelden zijn:

  • Onze doelgroep zijn jongeren tot vijftien jaar.
  • Het grootste struikelblok zijn de bezwaren van de bewonerscommissie.
  • Het resultaat waren tientallen handige tips.
  • De aanleiding tot de actie waren rellen in het zuiden van de stad.
  • Het hoogtepunt waren de creaties van twee jonge ontwerpsters.

Toch kan het enkelvoudige deel een voordeel ook het onderwerp zijn – vooral wanneer je daarna een dubbele punt kunt denken of zetten. De persoonsvorm staat dan in het enkelvoud en is te vergelijken met bestaat uit: ‘Een voordeel is: de kleine afstanden.’ 

Een hulpmiddel om te bepalen wat het best als onderwerp kan worden beschouwd, is: maak van de zin een bijzin met dat. Het onderwerp staat dan direct naast dat:

  • Een voordeel zijn de kleine afstanden → De conclusie is dat de kleine afstanden een voordeel zijn.
  • Een voordeel zijn de kleine afstanden → De conclusie is dat een voordeel de kleine afstanden is.

Als de eerste zin het best klinkt, is de kleine afstanden dus het onderwerp en een voordeel het naamwoordelijk deel.