Wat is juist: eraan werken of er aan werken?
Juist is: eraan werken. Bijvoorbeeld: ‘Ik ga eraan werken’, ‘Wij werken eraan om de fouten te herstellen’ en ‘Ze hebben eraan gewerkt.’
Het werkwoord werken staat vaak samen met het voorzetsel aan in een zin. Na aan staat dan meestal een zelfstandig naamwoord, zoals het karwei of de opgave:
- De commissie werkt aan het uitdagende karwei.
- De klas werkte ingespannen aan de opgave.
Je kunt datzelfde aan ook combineren met er. De woorden er en aan schrijf je dan aan elkaar als ze direct achter elkaar staan:
- Het is een uitdagend karwei, maar de commissie werkt eraan.
- De klas kreeg de opgave uitgedeeld en ging eraan werken.
Er verwijst hier naar het karwei of de opgave aan het begin van de zin. Eraan betekent dan dus ‘aan het uitdagende karwei’ of ‘aan op opgave’. Er zijn ook zinnen met eraan werken waarin eraan verwijst naar een deel van de zin dat verderop staat:
- We werken eraan om een eerste plaats te bereiken.
Eraan, hieraan, daaraan, waaraan
Wat voor er + aan geldt, geldt ook voor hier + aan, daar + aan en waar + aan. Je schrijft dus hieraan, daaraan en waaraan als één woord in zinnen als deze:
- De gemeenteraad heeft hieraan hard gewerkt.
- Heeft jouw broer gisteren daaraan gewerkt?
- Hij wilde niet zeggen waaraan hij vandaag gewerkt heeft.
Op het tabblad ‘Voorbeelden’ staan meer voorbeelden van zinnen met eraan, hieraan, daaraan en waaraan. Op het tabblad ‘Achtergrond’ vind je meer uitleg over deze combinaties.
Er (...) aan
Tussen er, hier, daar of waar en aan kunnen andere delen van de zin staan. In dat geval schrijf je ze uiteraard als losse woorden, ook al horen ze nog steeds bij elkaar. Je mag aan daarom niet aan werken vast schrijven.
- De gemeenteraad heeft hier hard aan gewerkt.
- Heeft jouw broer daar gisteren aan gewerkt?
- Hij wilde niet zeggen waar hij vandaag aan gewerkt heeft.
Blij met deze uitleg?
Met een donatie van € 5 steun je Onze Taal. Bedankt!
Andere combinaties met eraan
Eraan komt ook voor met andere werkwoorden dan werken, zoals:
- Wil je eraan denken mijn planten water te geven?
- Je moet eraan geloven.
- De winkelier begon eraan te twijfelen.
- De groep begon eraan te wennen.
- Wat is eraan voorafgegaan?
- Hij is eraan onderdoor gegaan.
- Ben je eraan begonnen?
- Wat kan je eraan toevoegen?
- Mag hij eraan meedoen?
Op het tabblad ‘Oefenen’ vind je een quizje om te oefenen met het los en vast schrijven van er/hier/daar/waar + aan met allerlei soorten werkwoorden.
Er zijn veel vaste combinaties van een werkwoord en een voorzetsel: zorgen voor, houden van, denken aan, kijken naar, wachten op, enzovoort. Na het voorzetsel staat vaak een zelfstandig naamwoord, een persoonlijk voornaamwoord of een naam (of een woordgroep met zo’n woord als kern):
- We moeten denken aan voldoende eten voor onderweg.
- Zij houdt van kerstliedjes.
- Ik zorg voor jou.
- We kijken naar Netflix.
In plaats van zo’n woord(groep) kan er ook er, daar, hier of waar bij het voorzetsel staan. Als er/daar/hier/waar direct voor het voorzetsel staat in de zin, schrijf je die woorden aan elkaar:
- We moeten eraan denken.
- Zij houdt daarvan.
- Ik zorg hiervoor.
- Waarnaar kijken we?
Eraan = ‘aan het (ding)’, ‘aan de dingen’
Zo’n woord als eraan betekent eigenlijk ‘aan het’ of ‘aan iets (wat net genoemd is)’. Evenzo betekent daarvan eigenlijk ‘van dat, van die dingen’. Hiervoor is te lezen als ‘voor dit, voor deze dingen’, en waarnaar betekent eigenlijk ‘naar wat, naar welke dingen’.
De combinatie van er en een voorzetsel verwijst dan ook vaak naar iets wat eerder in de zin of in de vorige zin genoemd is. Het gebruik van zo’n combinatie voorkomt dat je een woordgroep moet herhalen. Voorbeelden:
- Denk jij aan mijn planten in de vakantie? Ja hoor, ik denk eraan.
[eraan = aan de planten] - We eten blijkbaar zuurkool morgen. Houd jij daarvan?
[daarvan = van zuurkool] - Je hoeft zelf geen lunch mee te nemen: hiervoor wordt gezorgd.
[hiervoor = voor een lunch]
Combinaties als eraan denken, ervan houden en ervoor zorgen kunnen ook verwijzen naar iets wat verderop in de zin staat. Dat is dan vaak een bijzin die met dat of om begint. Voorbeelden:
- Zul je eraan denken dat je de planten water geeft?
- Zij houdt ervan om mensen voor de gek te houden.
- Wil jij ervoor zorgen dat mijn planten water krijgen?
Let op
Soms staan er/daar/hier/waar en een voorzetsel wel na elkaar in de zin, maar horen ze toch niet bij elkaar. Het voorzetsel kan namelijk ook een zinsdeel vormen met een woord of woordgroep erachter. Zoals hier:
- Ze had er voor niks zitten wachten.
[er duidt een plaats aan; voor hoort bij (voor) niks, niet bij er] - Ik ben er voor de zoveelste keer in getrapt.
[voor hoort bij (voor) de zoveelste keer, niet bij er] - Je kunt op me rekenen; ik ben er voor jou.
[voor hoort bij (voor) jou, niet bij er] - Ze had daar van acht tot tien om hem zitten wachten.
[daar duidt een plaats aan; van hoort bij (van) acht tot tien, niet bij daar] - De dieren komen hier in elk geval tot rust.
[hier duidt een plaats aan; in hoort bij (in) elk geval, niet bij hier] - Onze buren hebben een garage waar tegen betaling caravans worden gestald.
[waar duidt een plaats aan; tegen hoort bij betaling]
In deze zinnen verwijst er/daar/hier naar iets anders, bijvoorbeeld naar een plaats; in elk geval heeft het een andere functie dan in de eerdere zinnen op deze pagina. In zulke gevallen schrijf je er en het voorzetsel los van elkaar.
Blij met deze uitleg?
Met een donatie van € 5 steun je Onze Taal. Bedankt!
Oefenen?
Wil je oefenen met er, hier, daar, waar en het voorzetsel aan? Doe de test (tien vragen)!
Online training
Vond je de test lastig? Volg dan onze training Los of vast: ‘er’, voorzetsels en werkwoorden op het online trainingsplatform van Onze Taal. Met behulp van video’s, stappenplannen en opdrachten heb je de regels binnen de kortste keren onder de knie.