Het werkwoord beginnen staat vaak samen met het voorzetsel aan in een zin. Na aan staat dan meestal een zelfstandig naamwoord, zoals de klus of een opdracht.

  • Hij gaat morgen beginnen aan de klus.
  • Het team gaat vandaag beginnen aan een opdracht.

Je kunt datzelfde aan ook combineren met er. De woorden er en aan schrijf je dan aan elkaar als ze direct achter elkaar staan:

  • De klus is zwaar. Morgen gaat hij eraan beginnen.

Er verwijst hier naar de klus uit de eerste zin. Eraan betekent dan dus ‘aan de klus’.

Eraan, hieraan, daaraan, waaraan

Wat voor er + aan geldt, geldt ook voor hier + aan, daar + aan en waar + aan. Je schrijft dus hieraan, daaraan en waaraan als één woord in zinnen als deze:

  • Ze willen daaraan beginnen.
  • De gemeenteraad zal hieraan beginnen na overleg.
  • Waaraan gaat hij het eerst beginnen?

Op het tabblad ‘Voorbeelden’ staan meer voorbeelden van zinnen met eraan, hieraan, daaraan en waaraan. Op het tabblad ‘Achtergrond’ vind je meer uitleg over deze combinaties.

Er (...) aan

Tussen er, hier, daar of waar en aan kunnen andere delen van de zin staan. In dat geval schrijf je ze uiteraard als losse woorden, ook al horen ze nog steeds bij elkaar. Je mag aan daarom niet aan beginnen vast schrijven.

  • Ze willen daar snel aan beginnen.
  • De gemeenteraad zal hier na overleg aan beginnen.
  • Waar gaat hij het eerst aan beginnen?

Blij met deze uitleg?

Met een donatie van € 5 steun je Onze Taal. Bedankt!

Toch nog een vraag?

Onze taaladviseurs staan elke werkdag voor je klaar.

Stel hier je vraag

Andere combinaties met eraan

Eraan komt ook voor met andere werkwoorden dan beginnen, zoals:

  • Het is een groot karwei, maar de commissie werkt eraan.
  • Denk je eraan de sleutel mee te nemen?
  • Ze moeten eraan geloven.
  • Ik begin eraan te twijfelen.
  • Je moet eraan wennen.
  • Jullie kunnen je eraan conformeren.
  • Hij wil zich eraan hechten.

Op het tabblad ‘Oefenen’ vind je een quizje om te oefenen met het los en vast schrijven van er/hier/daar/waar + aan met allerlei soorten werkwoorden.

Er zijn veel vaste combinaties van een beginnen en een voorzetsel: zorgen voorhouden vandenken aankijken naarwachten op, enzovoort. Na het voorzetsel staat vaak een zelfstandig naamwoord, een persoonlijk voornaamwoord of een naam (of een woordgroep met zo’n woord als kern):

  • We moeten denken aan voldoende eten voor onderweg.
  • Zij houdt van kerstliedjes.
  • Ik zorg voor jou.
  • We kijken naar Netflix.

In plaats van zo’n woord(groep) kan er ook erdaarhier of waar bij het voorzetsel staan. Als er/daar/hier/waar direct voor het voorzetsel staat in de zin, schrijf je die woorden aan elkaar: 

  • We moeten eraan denken.
  • Zij houdt daarvan.
  • Ik zorg hiervoor.
  • Waarnaar kijken we?

Eraan = ‘aan het (ding)’, ‘aan de dingen’

Zo’n woord als eraan betekent eigenlijk ‘aan het’ of ‘aan iets (wat net genoemd is)’. Evenzo betekent daarvan eigenlijk ‘van dat, van die dingen’. Hiervoor is te lezen als ‘voor dit, voor deze dingen’, en waarnaar betekent eigenlijk ‘naar wat, naar welke dingen’.

De combinatie van er en een voorzetsel verwijst dan ook vaak naar iets wat eerder in de zin of in de vorige zin genoemd is. Het gebruik van zo’n combinatie voorkomt dat je een woordgroep moet herhalen. Voorbeelden:

  • Denk jij aan mijn planten in de vakantie? Ja hoor, ik denk eraan.
    [eraan = aan de planten]
  • We eten blijkbaar zuurkool morgen. Houd jij daarvan?
    [daarvan = van zuurkool]
  • Je hoeft zelf geen lunch mee te nemen: hiervoor wordt gezorgd.
    [hiervoor = voor een lunch]

Combinaties als eraan denkenervan houden en ervoor zorgen kunnen ook verwijzen naar iets wat verderop in de zin staat. Dat is dan vaak een bijzin die met dat of om begint. Voorbeelden:

  • Zul je eraan denken dat je de planten water geeft?
  • Zij houdt ervan om mensen voor de gek te houden.
  • Wil jij ervoor zorgen dat mijn planten water krijgen?

Let op 

Soms staan er/daar/hier/waar en een voorzetsel wel na elkaar in de zin, maar horen ze toch niet bij elkaar. Het voorzetsel kan namelijk ook een zinsdeel vormen met een woord of woordgroep erachter. Zoals hier:

  • Ze had er voor niks zitten wachten.
    [er duidt een plaats aan; voor hoort bij (voor) niks, niet bij er]
  • Ik ben er voor de zoveelste keer in getrapt.
    [voor hoort bij (voor) de zoveelste keer, niet bij er]
  • Je kunt op me rekenen; ik ben er voor jou.
    [voor hoort bij (voor) jou, niet bij er]
  • Ze had daar van acht tot tien om hem zitten wachten.
    [daar duidt een plaats aan; van hoort bij (van) acht tot tien, niet bij daar]
  • De dieren komen hier in elk geval tot rust.
    [hier duidt een plaats aan; in hoort bij (in) elk geval, niet bij hier]
  • Onze buren hebben een garage waar tegen betaling caravans worden gestald.
    [waar duidt een plaats aan; tegen hoort bij betaling]

In deze zinnen verwijst er/daar/hier naar iets anders, bijvoorbeeld naar een plaats; in elk geval heeft het een andere functie dan in de eerdere zinnen op deze pagina. In zulke gevallen schrijf je er en het voorzetsel los van elkaar.

Oefenen?

Wil je oefenen met er, hier, daar, waar en voorzetsels zoals aan? Doe de test (tien vragen)!

Online training

Vond je de test lastig? Volg dan onze training Los of vast: ‘er’, voorzetsels en beginnenen op het online leerplatform van Onze Taal. Met behulp van video’s, stappenplannen en opdrachten heb je de regels binnen de kortste keren onder de knie.