Wat is de juiste verleden tijd van ervaren: ervaarde of ervoer?

Het is allebei juist. De sterke vervoeging ervoer (die het oudst is), lijkt nog steeds het vaakst voor te komen.

Ervaren is van oorsprong een sterk werkwoord, wat wil zeggen dat in de verleden tijd de klinker van de stam verandert. Maar ook de zwakke vervoeging ervaarde (waarbij alleen de uitgang -de wordt toegevoegd) wordt als juist beschouwd; vrijwel alle hedendaagse woordenboeken vermelden deze vorm, naast de sterke vorm ervoer.

De volgende zinnen zijn dus allemaal juist:

  • Wat ik ervoer, was kennelijk iets heel anders dan wat zij ervoeren.
  • Wat ik ervaarde, was kennelijk iets heel anders dan wat zij ervaarden.
  • Ze ervoer dat de meeste mensen behulpzaam waren.
  • Ze ervaarde dat de meeste mensen behulpzaam waren.

Er zijn meer werkwoorden waarbij de zwakke vervoeging naast de oorspronkelijk sterke vervoeging als juist wordt beschouwd en in de naslagwerken staat. Bijvoorbeeld:

  • jagen - joeg/jaagde - gejaagd
  • verschuilen - verschool/verschuilde - verscholen/verschuild
  • waaien - woei/waaide - gewaaid
  • zweren ('etteren') - zwoor/zweerde - gezworen

Sterke vormen als ried, stiet en wrocht zijn verouderd; raadde, stootte en werkte zijn al enige of lange tijd algemeen. De sterke vervoegingen verdwijnen langzaam uit het Nederlands; dit is een proces dat al eeuwen aan de gang is. Een heel enkele keer is het juist de zwakke vorm die verouderd is, bijvoorbeeld zegde (zei is veel gewoner). Ook vraagde is veel minder gebruikelijk dan vroeg.

In de lijst hieronder staan meer dan vijftienhonderd werkwoorden met een sterke/onregelmatige vervoeging opgesomd. Ook de half onregelmatige werkwoorden staan ertussen (u vindt in dit advies meer informatie over de termen 'sterk werkwoord' en '(half) onregelmatig werkwoord'). Als zowel de zwakke als de sterke vervoeging mogelijk is, is de gebruikelijkste vorm vet gemaakt (als er tenminste uit te maken was welke van de twee het gebruikelijkst is). Staat het werkwoord waarover u twijfelt er niet bij? Stuur ons dan een e-mail.

begin A B D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z

  • aanbevelen, beval aan, aanbevolen
  • aanbidden, aanbad, aanbeden
  • aanbieden, bood aan, aangeboden
  • aanblijven, bleef aan, aangebleven
  • aanbraden, braadde aan, aangebraden
  • aanbreken, brak aan, aangebroken
  • aanbrengen, bracht aan, aangebracht
  • aandoen, deed aan, aangedaan
  • aandragen, droeg aan, aangedragen
  • aandrijven, dreef aan, aangedreven
  • aandringen, drong aan, aangedrongen
  • aaneenrijgen, reeg aaneen, aaneengeregen
  • aaneenschrijven, schreef aaneen, aaneengeschreven
  • aaneensluiten, sloot aaneen, aaneengesloten
  • aangaan, ging aan, aangegaan
  • aangeven, gaf aan, aangegeven
  • aangraven, groef aan, aangegraven
  • aangrijpen, greep aan, aangegrepen
  • aanhangen, hing aan, aangehangen
  • aanhebben, had aan, aangehad
  • aanheffen, hief aan, aangeheven
  • aanhouden, hield aan, aangehouden
  • aanjagen, joeg aan/jaagde aan, aangejaagd
  • aankijken, keek aan, aangekeken
  • aankomen, kwam aan, aangekomen
  • aankopen, kocht aan, aangekocht
  • aankrijgen, kreeg aan, aangekregen
  • aankunnen, kon aan, aangekund
  • aanliggen, lag aan, aangelegen
  • aanlopen, liep aan, aangelopen
  • aanmeten, mat aan, aangemeten
  • aannemen, nam aan, aangenomen
  • aanprijzen, prees aan, aangeprezen
  • aanraden, raadde aan/ried aan, aangeraden
  • aanrijden, reed aan, aangereden
  • aanroepen, riep aan, aangeroepen
  • aanschieten, schoot aan, aangeschoten
  • aanschrijven, schreef aan, aangeschreven
  • aanschuiven, schoof aan, aangeschoven
  • aanslaan, sloeg aan, aangeslagen
  • aanslijpen, sleep aan, aangeslepen
  • aansluiten, sloot aan, aangesloten
  • aansnijden, sneed aan, aangesneden
  • aanspannen, spande aan, aangespannen
  • aanspreken, sprak aan, aangesproken
  • aanstaan, stond aan, aangestaan
  • aansteken, stak aan, aangestoken
  • aanstoten, stootte aan/stiet aan, aangestoten
  • aanstrijken, streek aan, aangestreken
  • aantreden, trad aan, aangetreden
  • aantrekken, trok aan, aangetrokken
  • aanvallen, viel aan, aangevallen
  • aanvangen, ving aan, aangevangen
  • aanvaren, voer aan, aangevaren
  • aanvechten, vocht aan, aangevochten
  • aanvliegen, vloog aan, aangevlogen
  • aanvragen, vroeg aan/vraagde aan, aangevraagd
  • aanvreten, vrat aan, aangevreten
  • aanwaaien, waaide aan/woei aan, aangewaaid
  • aanwerven, wierf aan, aangeworven
  • aanwijzen, wees aan, aangewezen
  • aanwinnen, won aan, aangewonnen
  • aanwrijven, wreef aan, aangewreven
  • aanzeggen, zegde aan/zei aan, aangezegd
  • aanzien, zag aan, aangezien
  • aanzitten, zat aan, aangezeten
  • aanzoeken, zocht aan, aangezocht
  • aanzuigen, zoog aan, aangezogen
  • aanzwellen, zwol aan, aangezwollen
  • achteraankomen, kwam achteraan, achteraangekomen
  • achterblijven, bleef achter, achtergebleven
  • achterhouden, hield achter, achtergehouden
  • achterlaten, liet achter, achtergelaten
  • achterliggen, lag achter, achtergelegen
  • achterlopen, liep achter, achtergelopen
  • achternalopen, liep achterna, achternagelopen
  • achternavaren, voer/vaarde achterna, achternagevaren
  • achternazenden, zond achterna, achternagezonden
  • achteromkijken, keek achterom, achteromgekeken
  • achteromzien, zag achterom, achteromgezien
  • achteropkomen, kwam achterop, achteropgekomen
  • achteroplopen, liep achterop, achteropgelopen
  • achteroverslaan, sloeg achterover, achterovergeslagen
  • achterovervallen, viel achterover, achterovergevallen
  • achterstaan, stond achter, achtergestaan
  • achteruitdrijven, dreef achteruit, achteruitgedreven
  • achteruitlopen, liep achteruit, achteruitgelopen
  • achteruitrijden, reed achteruit, achteruitgereden
  • achteruitslaan, sloeg achteruit, achteruitgeslagen
  • achteruitsteken, stak achteruit, achteruitgestoken
  • achteruitwijken, week achteruit, achteruitgeweken
  • afbakken, bakte af, afgebakken
  • afbijten, beet af, afgebeten
  • afbinden, bond af, afgebonden
  • afblazen, blies af, afgeblazen
  • afblijven, bleef af, afgebleven
  • afbreken, brak af, afgebroken
  • afbrengen, bracht af, afgebracht
  • afbuigen, boog af, afgebogen
  • afdingen, dong af, afgedongen
  • afdoen, deed af, afgedaan
  • afdragen, droeg af, afgedragen
  • afdrijven, dreef af, afgedreven
  • afdrinken, dronk af, afgedronken
  • afdruipen, droop af, afgedropen
  • afdwingen, dwong af, afgedwongen
  • affluiten, floot af, afgefloten
  • afgaan, ging af, afgegaan
  • afgeven, gaf af, afgegeven
  • afgieten, goot af, afgegoten
  • afglijden, gleed af, afgegleden
  • afgraven, groef af, afgegraven
  • afhangen, hing af, afgehangen
  • afhouden, hield af, afgehouden
  • afhouwen, hieuw af, afgehouwen
  • afkijken, keek af, afgekeken
  • afkluiven, kloof af, afgekloven (kluifde af komt nog niet voor in de naslagwerken)
  • afknijpen, kneep af, afgeknepen
  • afkomen, kwam af, afgekomen
  • afkopen, kocht af, afgekocht
  • afkrijgen, kreeg af, afgekregen
  • afkunnen, kon af, afgekund
  • afladen, laadde af, afgeladen
  • aflaten, liet af, afgelaten
  • aflezen, las af, afgelezen
  • aflopen, liep af, afgelopen
  • afmeten, mat af, afgemeten
  • afnemen, nam af, afgenomen
  • afraden, raadde af/ried af, afgeraden
  • afrijden, reed af, afgereden
  • afroepen, riep af, afgeroepen
  • afscheiden, scheidde af, afgescheiden
  • afschieten, schoot af, afgeschoten
  • afschrijven, schreef af, afgeschreven
  • afschuiven, schoof af, afgeschoven
  • afslaan, sloeg af, afgeslagen
  • afslijten, sleet af, afgesleten
  • afsluiten, sloot af, afgesloten
  • afsnijden, sneed af, afgesneden
  • afspreken, sprak af, afgesproken
  • afspringen, sprong af, afgesprongen
  • afspuiten, spoot af, afgespoten
  • afstaan, stond af, afgestaan
  • afsteken, stak af, afgestoken
  • afsterven, stierf af, afgestorven
  • afstijgen, steeg af, afgestegen
  • afstoten, stootte af/stiet af, afgestoten
  • afstrijken, streek af, afgestreken
  • aftreden, trad af, afgetreden
  • aftrekken, trok af, afgetrokken
  • afvallen, viel af, afgevallen
  • afvangen, ving af, afgevangen
  • afvaren, voer af/vaarde af, afgevaren
  • afvragen, vroeg af/vraagde af, afgevraagd
  • afvriezen, vroor af, afgevroren
  • afwaaien, waaide af/woei af, afgewaaid
  • afwassen, waste af, afgewassen
  • afwegen, woog af, afgewogen
  • afwerpen, wierp af, afgeworpen
  • afwijken, week af, afgeweken
  • afwijzen, wees af, afgewezen
  • afwinden, wond af, afgewonden
  • afwrijven, wreef af, afgewreven
  • afzeggen, zegde af/zei af, afgezegd
  • afzeiken, zeek af/zeikte af, afgezeken/afgezeikt
  • afzien, zag af, afgezien
  • afzinken, zonk af, afgezonken
  • afzuigen, zoog af, afgezogen
  • afzwemmen, zwom af, afgezwommen
  • afzweren ('door een ontsteking loslaten'), zwoor/zweerde af, afgezworen
  • afzweren ('onder ede verwerpen'), zwoer af, afgezworen
  • autorijden, reed auto, autogereden

begin A B D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z

  • bakken, bakte, gebakken
  • bannen, bande, gebannen
  • barsten, barstte, gebarsten
  • bedelven, bedolf, bedolven
  • bederven, bedierf, bedorven
  • bedriegen, bedroog, bedrogen
  • bedrijven, bedreef, bedreven
  • bedruipen, bedroop, bedropen
  • beethebben, had beet, beetgehad
  • beethouden, hield beet, beetgehouden
  • begeven, begaf, begeven
  • beginnen, begon, begonnen
  • begraven, begroef, begraven
  • begrijpen, begreep, begrepen
  • behouden, behield, behouden
  • bekendstaan, stond bekend, bekendgestaan
  • bekijken, bekeek, bekeken
  • beklimmen, beklom, beklommen
  • bekruipen, bekroop, bekropen
  • beliegen, beloog, belogen
  • belijden, beleed, beleden
  • belopen, beliep, belopen
  • bergen, borg, geborgen
  • berijden, bereed, bereden
  • beschieten, beschoot, beschoten
  • beschrijven, beschreef, beschreven
  • besluipen, besloop, beslopen
  • besluiten, besloot, besloten
  • besnijden, besneed, besneden
  • bespannen, bespande, bespannen
  • bespreken, besprak, besproken
  • bespugen, bespoog/bespuugde, bespogen/bespuugd
  • bestelen, bestal, bestolen
  • bestijgen, besteeg, bestegen
  • bestrijden, bestreed, bestreden
  • bestrijken, bestreek, bestreken
  • bestuiven, bestoof, bestoven
  • betreden, betrad, betreden
  • betreffen, betrof, betroffen
  • betrekken, betrok, betrokken
  • bevelen, beval, bevolen
  • bevliegen, bevloog, bevlogen
  • bevragen, bevroeg/bevraagde, bevraagd
  • bevriezen, bevroor, bevroren
  • bewegen, bewoog, bewogen
  • bewijzen, bewees, bewezen
  • bezighouden, hield bezig, beziggehouden
  • bezinnen, bezon, bezonnen
  • bezeiken, bezeek/bezeikte, bezeken/bezeikt
  • bezoeken, bezocht, bezocht
  • bezwijken, bezweek, bezweken
  • bidden, bad, gebeden
  • bieden, bood, geboden
  • bijblijven, bleef bij, bijgebleven
  • bijbrengen, bracht bij, bijgebracht
  • bijdragen, droeg bij, bijgedragen
  • bijeenbinden, bond bijeen, bijeengebonden
  • bijeenbrengen, bracht bijeen, bijeengebracht
  • bijeendrijven, dreef bijeen, bijeengedreven
  • bijeenhouden, hield bijeen, bijeengehouden
  • bijeenkomen, kwam bijeen, bijeengekomen
  • bijeenroepen, riep bijeen, bijeengeroepen
  • bijeenzijn, was bijeen, bijeengeweest
  • bijhouden, hield bij, bijgehouden
  • bijkomen, kwam bij, bijgekomen
  • bijkopen, kocht bij, bijgekocht
  • bijladen, laadde bij, bijgeladen
  • bijlopen, liep bij, bijgelopen
  • bijschenken, schonk bij, bijgeschonken
  • bijschrijven, schreef bij, bijgeschreven
  • bijslijpen, sleep bij, bijgeslepen
  • bijsnijden, sneed bij, bijgesneden
  • bijspringen, sprong bij, bijgesprongen
  • bijstaan, stond bij, bijgestaan
  • bijten, beet, gebeten
  • bijtreden, trad bij, bijgetreden
  • bijtrekken, trok bij, bijgetrokken
  • bijvallen, viel bij, bijgevallen
  • binden, bond, gebonden
  • binnenblijven, bleef binnen, binnengebleven
  • binnenbreken, brak binnen, binnengebroken
  • binnenbrengen, bracht binnen, binnengebracht
  • binnendragen, droeg binnen, binnengedragen
  • binnendringen, drong binnen, binnengedrongen
  • binnengaan, ging binnen, binnengegaan
  • binnenglijden, gleed binnen, binnengegleden
  • binnenhouden, hield binnen, binnengehouden
  • binnenklimmen, klom binnen, binnengeklommen
  • binnenkrijgen, kreeg binnen, binnengekregen
  • binnenkruipen, kroop binnen, binnengekropen
  • binnenlaten, liet binnen, binnengelaten
  • binnenlopen, liep binnen, binnengelopen
  • binnenrijden, reed binnen, binnengereden
  • binnenroepen, riep binnen, binnengeroepen
  • binnensluipen, sloop binnen, binnengeslopen
  • binnenstuiven, stoof binnen, binnengestoven
  • binnentreden, trad binnen, binnengetreden
  • binnentrekken, trok binnen, binnengetrokken
  • binnenvallen, viel binnen, binnengevallen
  • binnenvaren, voer binnen, binnengevaren
  • binnenvliegen, vloog binnen, binnengevlogen
  • blazen, blies, geblazen
  • blijken, bleek, gebleken
  • blijven, bleef, gebleven
  • blindvaren, voer blind, blindgevaren
  • blinken, blonk, geblonken
  • blootgeven, gaf bloot, blootgegeven
  • blootliggen, lag bloot, blootgelegen
  • blootstaan, stond bloot, blootgestaan
  • bovenblijven, bleef boven, bovengebleven
  • bovendrijven, dreef boven, bovengedreven
  • bovenkomen, kwam boven, bovengekomen
  • bovenliggen, lag boven, bovengelegen
  • braden, braadde, gebraden
  • breien, breide/bree, gebreid/gebreeën
  • breken, brak, gebroken
  • brengen, bracht, gebracht
  • brouwen ('(bier) maken', 'koken'), brouwde, gebrouwen
  • buigen, boog, gebogen
  • buitengaan, ging buiten, buitengegaan
  • buitenkomen, kwam buiten, buitengekomen
  • buitensluiten, sloot buiten, buitengesloten
  • buitenstaan, stond buiten, buitengestaan

begin A B D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z

  • deelhebben, had deel, deelgehad
  • deelnemen, nam deel, deelgenomen
  • delven, delfde/dolf (even gebruikelijk), gedolven
  • denken, dacht, gedacht
  • dichtbinden, bond dicht, dichtgebonden
  • dichtdoen, deed dicht, dichtgedaan
  • dichtgaan, ging dicht, dichtgegaan
  • dichthouden, hield dicht, dichtgehouden
  • dichtknijpen, kneep dicht, dichtgeknepen
  • dichtrijden, reed dicht, dichtgereden
  • dichtrijgen, reeg dicht, dichtgeregen
  • dichtschuiven, schoof dicht, dichtgeschoven
  • dichtslaan, sloeg dicht, dichtgeslagen
  • dichtsmijten, smeet dicht, dichtgesmeten
  • dichtstrijken, streek dicht, dichtgestreken
  • dichttrekken, trok dicht, dichtgetrokken
  • dichtvallen, viel dicht, dichtgevallen
  • dichtvriezen, vroor dicht, dichtgevroren
  • dichtwerpen, wierp dicht, dichtgeworpen
  • dichtzitten, zat dicht, dichtgezeten
  • dingen ('proberen te verkrijgen'), dong, gedongen
  • doen, deed, gedaan
  • doodbijten, beet dood, doodgebeten
  • doodblijven, bleef dood, doodgebleven
  • doodfluiten ('als scheidsrechter te vaak fluiten'), floot dood, doodgefloten
  • doodgaan, ging dood, doodgegaan
  • doodlachen, lachte dood, doodgelachen
  • doodliggen, lag dood, doodgelegen
  • doodlopen, liep dood, doodgelopen
  • doodrijden, reed dood, doodgereden
  • doodschieten, schoot dood, doodgeschoten
  • doodschrikken, schrok dood, doodgeschrokken
  • doodslaan, sloeg dood, doodgeslagen
  • doodspuiten, spoot dood, doodgespoten
  • doodsteken, stak dood, doodgestoken
  • doodvallen, viel dood, doodgevallen
  • doodvriezen, vroor dood, doodgevroren
  • doodzwijgen, zweeg dood, doodgezwegen
  • doorbijten, beet door, doorgebeten
  • doorbreken ('openbarsten', 'aan de top komen'), brak door, doorgebroken
  • doorbreken ('een opening creëren'), doorbrak, doorbroken
  • doorbrengen, bracht door, doorgebracht
  • doorbuigen, boog door, doorgebogen
  • doordenken ('blijven nadenken', 'beter nadenken'), dacht door, doorgedacht
  • doordenken ('helemaal overdenken'), doordacht, doordacht
  • doordrijven, dreef door, doorgedreven
  • doordringen ('zich een weg banen', 'overtuigd raken'), doordrong, doordrongen
  • doordringen ('binnenkomen', 'duidelijk worden'), drong door, doorgedrongen
  • doordrinken, dronk door, doorgedronken
  • dooreenlopen, liep dooreen, dooreengelopen
  • dooreten, at door, doorgegeten
  • doorgaan, ging door, doorgegaan
  • doorgeven, gaf door, doorgegeven
  • doorhebben, had door, doorgehad
  • doorkijken, keek door, doorgekeken
  • doorklinken, klonk door, doorgeklonken
  • doorkomen, kwam door, doorgekomen
  • doorkrijgen, kreeg door, doorgekregen
  • doorladen, laadde door, doorgeladen
  • doorlaten, liet door, doorgelaten
  • doorlezen, las door, doorgelezen
  • doorliggen, lag door, doorgelegen
  • doorlopen ('afleggen', 'volgen'), doorliep, doorlopen
  • doorlopen ('verder lopen'), liep door, doorgelopen
  • doornemen, nam door, doorgenomen
  • doorrijden, reed door, doorgereden
  • doorslaan, sloeg door, doorgeslagen
  • doorslapen, sliep door, doorgeslapen
  • doorsnijden ('zich (als een mes) bewegen door'), doorsneed, doorsneden
  • doorsnijden ('in tweeën snijden met een mes'), sneed door, doorgesneden
  • doorspreken, sprak door, doorgesproken
  • doorstaan ('verduren'), doorstond, doorstaan
  • doorstaan ('niet van aard of kracht veranderen'), stond door, doorgestaan
  • doorsteken ('door en door steken'), doorstak, doorstoken
  • doorsteken ('een opening maken in', 'een kortere weg nemen'), stak door, doorgestoken
  • doorstoten, stootte/stiet door, doorgestoten
  • doortrekken, trok door, doorgetrokken
  • doorvaren ('door het lichaam trekken'), doorvoer, doorvaren
  • doorvaren ('verder varen'), voer door, doorgevaren
  • doorverkopen, verkocht door, doorverkocht
  • doorvliegen ('snel gaan door', 'snel lezen'), doorvloog, doorvlogen
  • doorvliegen ('verder vliegen'), vloog door, doorgevlogen
  • doorvragen, vroeg door, doorgevraagd
  • doorzien, doorzag, doorzien
  • doorzoeken ('zoeken in'), doorzocht, doorzocht
  • doorzoeken ('verder zoeken'), zocht door, doorgezocht
  • doorzuipen, zoop door, doorgezopen
  • dragen, droeg, gedragen
  • drijven, dreef, gedreven
  • dringen, drong, gedrongen
  • drinken, dronk, gedronken
  • drooghouden, hield droog, drooggehouden
  • drooglopen, liep droog, drooggelopen
  • droogmalen, maalde droog, drooggemalen
  • droogstaan, stond droog, drooggestaan
  • droogvallen, viel droog, drooggevallen
  • droogwrijven, wreef droog, drooggewreven
  • droogzwemmen, zwom droog, drooggezwommen
  • druipen, droop, gedropen
  • dubbelslaan, sloeg dubbel, dubbelgeslagen
  • dubbelvouwen, vouwde dubbel, dubbelgevouwen
  • duiken, dook, gedoken
  • dunken, dunkte/docht, gedocht
  • durven, durfde/dorst, gedurfd (in België komt ook dierf voor)
  • dwingen, dwong, gedwongen

begin A B D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z

  • eruitzien, zag eruit, eruitgezien
  • ervaren, ervoer/ervaarde, ervaren
  • erven, erfde, geërfd (schertsend: orf, georven)
  • eten, at, gegeten

begin A B D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z

  • fijnbijten, beet fijn, fijngebeten
  • fijnknijpen, kneep fijn, fijngeknepen
  • fijnmalen, maalde fijn, fijngemalen
  • fijnsnijden, sneed fijn, fijngesneden
  • fijnwrijven, wreef fijn, fijngewreven
  • flauwvallen, viel flauw, flauwgevallen
  • fluiten, floot, gefloten
  • fuiven, fuifde, gefuifd (schertsend: foof, gefoven)

begin A B D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z

  • gaan, ging, gegaan
  • gadeslaan, sloeg gade, gadegeslagen
  • gebieden, gebood, geboden
  • gedragen, gedroeg, gedragen
  • geheimhouden, hield geheim, geheimgehouden
  • gelden, gold, gegolden
  • gelijken, geleek, geleken
  • gelijkkomen, kwam gelijk, gelijkgekomen
  • gelijkliggen, lag gelijk, gelijkgelegen
  • gelijklopen, liep gelijk, gelijkgelopen
  • gelijkstaan, stond gelijk, gelijkgestaan
  • gelijktrekken, trok gelijk, gelijkgetrokken
  • genezen, genas, genezen
  • genieten, genoot, genoten
  • gereedhouden, hield gereed, gereedgehouden
  • gereedkomen, kwam gereed, gereedgekomen
  • gereedliggen, lag gereed, gereedgelegen
  • gereedstaan, stond gereed, gereedgestaan
  • gevallen, geviel, gevallen
  • gevangennemen, nam gevangen, gevangengenomen
  • gevangenzitten, zat gevangen, gevangengezeten
  • geven, gaf, gegeven
  • gewinnen, gewon, gewonnen
  • gieten, goot, gegoten
  • gladscheren, schoor glad, gladgeschoren
  • gladslijpen, sleep glad, gladgeslepen
  • gladstrijken, streek glad, gladgestreken
  • gladwrijven, wreef glad, gladgewreven
  • glijden, gleed, gegleden
  • glimmen, glom, geglommen
  • goedhouden, hield goed, goedgehouden
  • goedkomen, kwam goed, goedgekomen
  • goedvinden ('goedkeuring geven aan'), vond goed, goedgevonden
  • graven, groef, gegraven
  • grijpen, greep, gegrepen
  • grootbrengen, bracht groot, grootgebracht
  • groothouden, hield groot, grootgehouden

begin A B D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z

  • handeldrijven, dreef handel, handelgedreven
  • hangen, hing, gehangen
  • hardlopen, liep hard, hardgelopen
  • heensluipen, sloop heen, heengeslopen
  • heentrekken, trok heen, heengetrokken
  • heenzenden, zond heen, heengezonden
  • heffen, hief, geheven
  • helpen, hielp, geholpen
  • herbeginnen, herbegon, herbegonnen
  • herdenken, herdacht, herdacht
  • hergeven, hergaf, hergeven
  • herintreden, trad herin, heringetreden
  • herkiezen, herkoos, herkozen
  • herkrijgen, herkreeg, herkregen
  • herlezen, herlas, herlezen
  • hernemen, hernam, hernomen
  • herontginnen, herontgon, herontgonnen
  • heroverwegen, heroverwoog, heroverwogen
  • herrijzen, herrees, herrezen
  • herscheppen, herschiep, herschapen
  • herschrijven, herschreef, herschreven
  • heruitbrengen, bracht heruit, heruitgebracht
  • heruitgeven, gaf heruit, heruitgegeven
  • heruitzenden, zond heruit, heruitgezonden
  • hervinden, hervond, hervonden
  • herzien, herzag, herzien
  • heten, heette, geheten
  • hijsen, hees, gehesen
  • hoeven, hoefde, gehoeven/gehoefd
  • hooghouden, hield hoog, hooggehouden
  • houden, hield, gehouden
  • houwen, hieuw, gehouwen
  • huishouden, hield huis, huisgehouden

begin A B D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z

  • inbinden, bond in, ingebonden
  • inblazen, blies in, ingeblazen
  • inbreken, brak in, ingebroken
  • inbrengen, bracht in, ingebracht
  • indringen, drong in, ingedrongen
  • ineenduiken, dook ineen, ineengedoken
  • ineengrijpen, greep ineen, ineengegrepen
  • ineenkrimpen, kromp ineen, ineengekrompen
  • ineenschuiven, schoof ineen, ineengeschoven
  • ineenslaan, sloeg ineen, ineengeslagen
  • ineensluiten, sloot ineen, ineengesloten
  • ineensmelten, smolt ineen, ineengesmolten
  • ineenvlechten, vlocht ineen, ineengevlochten
  • ineenvouwen, vouwde ineen, ineengevouwen
  • ineten, at in, ingegeten
  • ingeven, gaf in, ingegeven
  • ingieten, goot in, ingegoten
  • ingraven, groef in, ingegraven
  • ingrijpen, greep in, ingegrepen
  • inhouden, hield in, ingehouden
  • inkerven, kerfde in/korf in, ingekerfd/ingekorven
  • inkijken, keek in, ingekeken
  • inkomen, kwam in, ingekomen
  • inkopen, kocht in, ingekocht
  • inladen, laadde in, ingeladen
  • inlaten, liet in, ingelaten
  • inlezen, las in, ingelezen
  • inlopen, liep in, ingelopen
  • inmeten, mat in, ingemeten
  • inrijgen, reeg in, ingeregen
  • inroepen, riep in, ingeroepen
  • inschenken, schonk in, ingeschonken
  • inschieten, schoot in, ingeschoten
  • inschrijven, schreef in, ingeschreven
  • inschuiven, schoof in, ingeschoven
  • inslaan, sloeg in, ingeslagen
  • inslapen, sliep in, ingeslapen
  • inslijpen, sleep in, ingeslepen
  • inslijten, sleet in, ingesleten
  • insluipen, sloop in, ingeslopen
  • insluiten, sloot in, ingesloten
  • insmijten, smeet in, ingesmeten
  • inspannen, spande in, ingespannen
  • inspinnen, spon in, ingesponnen
  • inspreken, sprak in, ingesproken
  • inspringen, sprong in, ingesprongen
  • inspuiten, spoot in, ingespoten
  • instaan, stond in, ingestaan
  • insteken, stak in, ingestoken
  • instijgen, steeg in, ingestegen
  • instrijken, streek in, ingestreken
  • intreden, trad in, ingetreden
  • intrekken, trok in, ingetrokken
  • invallen, viel in, ingevallen
  • invechten, vocht in, ingevochten
  • invlechten, vlocht in, ingevlochten
  • invliegen, vloog in, ingevlogen
  • invreten, vrat in, ingevreten
  • invriezen, vroor in, ingevroren
  • inwaaien, waaide in/woei in, ingewaaid
  • inwerpen, wierp in, ingeworpen
  • inwijken, week in, ingeweken
  • inwinnen, won in, ingewonnen
  • inwrijven, wreef in, ingewreven
  • inzenden, zond in, ingezonden
  • inzien, zag in, ingezien
  • inzingen, zong in, ingezongen
  • inzuigen, zoog in, ingezogen
  • inzweren ('beëdigen'), zwoer in, ingezworen
  • inzweren ('door zweren invreten'), zwoor in, ingezworen

begin A B D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z

begin A B D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z

  • kaalslaan, sloeg kaal, kaalgeslagen
  • kapotbijten, beet kapot, kapotgebeten
  • kapotbreken, brak kapot, kapotgebroken
  • kapotgaan, ging kapot, kapotgegaan
  • kapotrijden, reed kapot, kapotgereden
  • kapotslaan, sloeg kapot, kapotgeslagen
  • kapotsmijten, smeet kapot, kapotgesmeten
  • kapottrekken, trok kapot, kapotgetrokken
  • kapotvallen, viel kapot, kapotgevallen
  • kapotvriezen, vroor kapot, kapotgevroren
  • kerven, kerfde/korf, gekerfd/gekorven
  • kiezen, koos, gekozen
  • kijken, keek, gekeken
  • kijven, kijfde/keef, gekijfd/gekeven (Groene Boekje: alleen keef, gekeven)
  • klaarkomen, kwam klaar, klaargekomen
  • klaarkrijgen, kreeg klaar, klaargekregen
  • klaarliggen, lag klaar, klaargelegen
  • klaarstaan, stond klaar, klaargestaan
  • klaarzitten, zat klaar, klaargezeten
  • klagen, klaagde/kloeg, geklaagd
  • klieven, kloof, gekloven
  • klimmen, klom, geklommen
  • klinken, klonk, geklonken
  • kluiven, kloof, gekloven
  • knijpen, kneep, geknepen
  • koffiedrinken, dronk koffie, koffiegedronken
  • komen, kwam, gekomen
  • kopen, kocht, gekocht
  • krijgen, kreeg, gekregen
  • krijsen, krijste/krees, gekrijst/gekresen
  • krijten ('schreeuwen'), kreet, gekreten
  • krimpen, kromp, gekrompen
  • krombuigen, boog krom, kromgebogen
  • kromtrekken, trok krom, kromgetrokken
  • kruipen, kroop, gekropen
  • kunnen, kon, gekund
  • kwaadspreken, sprak kwaad, kwaadgesproken
  • kwijten, kweet, gekweten

begin A B D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z

  • laagvliegen, vloog laag, laaggevlogen
  • lachen, lachte, gelachen
  • laden, laadde, geladen
  • lamslaan, sloeg lam, lamgeslagen
  • langsbrengen, bracht langs, langsgebracht
  • langsdrijven, dreef langs, langsgedreven
  • langsgaan, ging langs, langsgegaan
  • langsglijden, gleed langs, langsgegleden
  • langskomen, kwam langs, langsgekomen
  • langslopen, liep langs, langsgelopen
  • langsrijden, reed langs, langsgereden
  • langstrekken, trok langs, langsgetrokken
  • langsvaren, voer langs/vaarde langs, langsgevaren
  • lastigvallen, viel lastig, lastiggevallen
  • laten, liet, gelaten
  • leegdrinken, dronk leeg, leeggedronken
  • leegeten, at leeg, leeggegeten
  • leeggieten, goot leeg, leeggegoten
  • leeglopen, liep leeg, leeggelopen
  • leegrijden, reed leeg, leeggereden
  • leegschenken, schonk leeg, leeggeschonken
  • leegstaan, stond leeg, leeggestaan
  • leegstelen, stal leeg, leeggestolen
  • leegvreten, vrat leeg, leeggevreten
  • leegzuigen, zoog leeg, leeggezogen
  • leidinggeven, gaf leiding, leidinggegeven
  • lekrijden, reed lek, lekgereden
  • lesgeven, gaf les, lesgegeven
  • lezen, las, gelezen
  • liefhebben, had lief, liefgehad
  • liegen, loog, gelogen
  • liggen, lag, gelegen
  • lijden, leed, geleden
  • lijken, leek, geleken
  • lopen, liep, gelopen
  • losbijten, beet los, losgebeten
  • losbinden, bond los, losgebonden
  • losbreken, brak los, losgebroken
  • losdoen, deed los, losgedaan
  • losglijden, gleed los, losgegleden
  • losgraven, groef los, losgegraven
  • loshangen, hing los, losgehangen
  • loskomen, kwam los, losgekomen
  • loskopen, kocht los, losgekocht
  • loskrijgen, kreeg los, losgekregen
  • loslaten, liet los, losgelaten
  • loslopen, liep los, losgelopen
  • losrijden, reed los, losgereden
  • losrijgen, reeg los, losgeregen
  • losschieten, schoot los, losgeschoten
  • losslaan, sloeg los, losgeslagen
  • lossnijden, sneed los, losgesneden
  • losspringen, sprong los, losgesprongen
  • losstaan, stond los, losgestaan
  • lostrekken, trok los, losgetrokken
  • losvliegen, vloog los, losgevlogen
  • loswinden, wond los, losgewonden
  • loszingen, zong los, losgezongen
  • loszitten, zat los, losgezeten
  • luiken, look, geloken

begin A B D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z

  • maathouden, hield maat, maatgehouden
  • malen ('fijnmaken'), maalde, gemalen
  • meebidden, bad mee, meegebeden
  • meebrengen, bracht mee, meegebracht
  • meedenken, dacht mee, meegedacht
  • meedingen, dong mee, meegedongen
  • meedragen, droeg mee, meegedragen
  • mee-eten, at mee, meegegeten
  • meegaan, ging mee, meegegaan
  • meegeven, gaf mee, meegegeven
  • meehelpen, hielp mee, meegeholpen
  • meekomen, kwam mee, meegekomen
  • meekunnen, kon mee, meegekund
  • meelachen, lachte mee, meegelachen
  • meelezen, las mee, meegelezen
  • meelopen, liep mee, meegelopen
  • meerijden, reed mee, meegereden
  • meestrijden, streed mee, meegestreden
  • meetrekken, trok mee, meegetrokken
  • meevallen, viel mee, meegevallen
  • meevaren, voer mee/vaarde mee, meegevaren
  • meevragen, vroeg mee, meegevraagd
  • meewillen, wilde mee/wou mee, meegewild
  • meezingen, zong mee, meegezongen
  • melken, molk/melkte, gemolken
  • meten, mat, gemeten
  • mijden, meed, gemeden
  • misdoen, misdeed, misdaan
  • misgaan, ging mis, misgegaan
  • misgrijpen, greep mis, misgegrepen
  • mislezen, mislas, mislezen
  • mislopen, liep mis, misgelopen
  • misrijden, reed mis, misgereden
  • misschieten, schoot mis, misgeschoten
  • misslaan, sloeg mis, misgeslagen
  • miszeggen, miszei (miszegde), miszegd
  • moeten, moest, gemoeten
  • mogen, mocht, gemogen

begin A B D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z

  • nabespreken, besprak na, nabesproken
  • nablijven, bleef na, nagebleven
  • nabrengen, bracht na, nagebracht
  • nadenken, dacht na, nagedacht
  • nadoen, deed na, nagedaan
  • nadragen, droeg na, nagedragen
  • nafluiten, floot na, nagefloten
  • nagaan, ging na, nagegaan
  • nagenieten, genoot na, nagenoten
  • nageven, gaf na, nagegeven
  • nahouden, hield na, nagehouden
  • najagen, joeg na/jaagde na, nagejaagd
  • nakijken, keek na, nagekeken
  • naklinken, klonk na, nageklonken
  • nakomen, kwam na, nagekomen
  • nalaten, liet na, nagelaten
  • nalezen, las na, nagelezen
  • nalopen, liep na, nagelopen
  • nameten, mat na, nagemeten
  • napluizen, ploos na, nageplozen
  • narijden, reed na, nagereden
  • naroepen, riep na, nageroepen
  • naschrijven, schreef na, nageschreven
  • naslaan, sloeg na, nageslagen
  • naspringen, sprong na, nagesprongen
  • nathouden, hield nat, natgehouden
  • natrekken, trok na, nagetrokken
  • navragen, vroeg na, nagevraagd
  • nawegen, woog na, nagewogen
  • nawijzen, wees na, nagewezen
  • nazeggen, zei na/zegde na, nagezegd
  • nazenden, zond na, nagezonden
  • nazien, zag na, nagezien
  • nazingen, zong na, nagezongen
  • nazoeken, zocht na, nagezocht
  • nazwemmen, zwom na, nagezwommen
  • neerbuigen, boog neer, neergebogen
  • neergaan, ging neer, neergegaan
  • neerhangen, hing neer, neergehangen
  • neerkijken, keek neer, neergekeken
  • neerkomen, kwam neer, neergekomen
  • neerlaten, liet neer, neergelaten
  • neerliggen, lag neer, neergelegen
  • neerschieten, schoot neer, neergeschoten
  • neerschrijven, schreef neer, neergeschreven
  • neerslaan, sloeg neer, neergeslagen
  • neersmijten, smeet neer, neergesmeten
  • neersteken, stak neer, neergestoken
  • neerstoten, stootte neer/stiet neer, neergestoten
  • neerstrijken, streek neer, neergestreken
  • neertrekken, trok neer, neergetrokken
  • neervallen, viel neer, neergevallen
  • neerwerpen, wierp neer, neergeworpen
  • neerzien, zag neer, neergezien
  • neerzijgen, zeeg neer, neergezegen
  • neerzinken, zonk neer, neergezonken
  • neerzitten, zat neer, neergezeten
  • nemen, nam, genomen
  • nijgen ('buigen', 'groeten'), neeg, genegen
  • nijpen, neep, genepen

begin A B D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z

  • ombrengen, bracht om, omgebracht
  • ombuigen, boog om, omgebogen
  • omdoen, deed om, omgedaan
  • omgeven, omgaf, omgeven
  • omhangen, hing om, omgehangen
  • omhoogdrijven, dreef omhoog, omhooggedreven
  • omhooghouden, hield omhoog, omhooggehouden
  • omhoogkijken, keek omhoog, omhooggekeken
  • omhoogkomen, kwam omhoog, omhooggekomen
  • omhooglopen, liep omhoog, omhooggelopen
  • omhoogrijzen, rees omhoog, omhooggerezen
  • omhoogschieten, schoot omhoog, omhooggeschoten
  • omhoogslaan, sloeg omhoog, omhooggeslagen
  • omhoogsteken, stak omhoog, omhooggestoken
  • omhoogtrekken, trok omhoog, omhooggetrokken
  • omhoogvallen, viel omhoog, omhooggevallen
  • omhoogvliegen, vloog omhoog, omhooggevlogen
  • omhoogzitten, zat omhoog, omhooggezeten
  • omkijken, keek om, omgekeken
  • omkopen, kocht om, omgekocht
  • omlaaggaan, ging omlaag, omlaaggegaan
  • omlopen, liep om, omgelopen
  • omrijden, reed om, omgereden
  • omroepen, riep om, omgeroepen
  • omschijnen, omscheen, omschenen
  • omslaan, sloeg om, omgeslagen
  • omspannen, omspande, omspannen
  • omspinnen, omspon, omsponnen
  • omstoten, stootte om, omgestoten
  • omtrekken, trok om, omgetrokken
  • omvallen, viel om, omgevallen
  • omvaren, voer om, omgevaren
  • omverlopen, liep omver, omvergelopen
  • omverrijden, reed omver, omvergereden
  • omverschieten, schoot omver, omvergeschoten
  • omverslaan, sloeg omver, omvergeslagen
  • omvertrekken, trok omver, omvergetrokken
  • omvervallen, viel omver, omvergevallen
  • omverwerpen, wierp omver, omvergeworpen
  • omvliegen, vloog om, omgevlogen
  • omwaaien, waaide om/woei om, omgewaaid
  • omwinden, omwond, omwonden
  • omzien, zag om, omgezien
  • omzwerven, zwierf om, omgezworven
  • onderbieden, onderbood, onderboden
  • onderbinden, bond onder, ondergebonden
  • onderbinden ('band aanbrengen'), onderbond, onderbonden
  • onderblijven, bleef onder, ondergebleven
  • onderbreken, onderbrak, onderbroken
  • onderbrengen, bracht onder, ondergebracht
  • onderdoen, deed onder, ondergedaan
  • onderduiken, dook onder, ondergedoken
  • ondergaan, ging onder, ondergegaan
  • ondergaan ('beleven', 'meemaken'), onderging, ondergaan
  • ondergraven, ondergroef, ondergraven
  • onderhouden, hield onder, ondergehouden
  • onderhouden ('verzorgen', 'vermaken', 'naleven'), onderhield, onderhouden
  • onderlopen, liep onder, ondergelopen
  • onderschrijden, onderschreed, onderschreden
  • onderstaan, stond onder, ondergestaan
  • onderuitglijden, gleed onderuit, onderuitgegleden
  • ondervinden, ondervond, ondervonden
  • onderzoeken, onderzocht, onderzocht
  • ontbieden, ontbood, ontboden
  • ontbijten, ontbeet, ontbeten
  • ontbinden, ontbond, ontbonden
  • ontbreken, ontbrak, ontbroken
  • ontdoen, ontdeed, ontdaan
  • ontduiken, ontdook, ontdoken
  • ontgaan, ontging, ontgaan
  • ontgelden, ontgold, ontgolden
  • ontginnen, ontgon, ontgonnen
  • ontheffen, onthief, ontheven
  • onthouden, onthield, onthouden
  • ontkomen, ontkwam, ontkomen
  • ontladen, ontlaadde, ontladen
  • ontlopen, ontliep, ontlopen
  • ontluiken, ontlook, ontloken
  • ontnemen, ontnam, ontnomen
  • ontraden, ontraadde/ontried, ontraden
  • ontschieten, ontschoot, ontschoten
  • ontsluiten, ontsloot, ontsloten
  • ontspannen, ontspande, ontspannen
  • ontspringen, ontsprong, ontsprongen
  • ontspruiten, ontsproot, ontsproten
  • ontstaan, ontstond, ontstaan
  • ontsteken, ontstak, ontstoken
  • ontstelen, ontstal, ontstolen
  • ontstijgen, ontsteeg, ontstegen
  • onttrekken, onttrok, onttrokken
  • ontvallen, ontviel, ontvallen
  • ontvangen, ontving, ontvangen
  • ontwerpen, ontwierp, ontworpen
  • ontwijken, ontweek, ontweken
  • ontwringen, ontwrong, ontwrongen
  • ontzeggen, ontzegde/ontzei, ontzegd
  • ontzien, ontzag, ontzien
  • ontzwemmen, ontzwom, ontzwommen
  • opbakken, bakte op, opgebakken
  • opbergen, borg op, opgeborgen
  • opblijven, bleef op, opgebleven
  • opbreken, brak op, opgebroken
  • opbrengen, bracht op, opgebracht
  • opdoen, deed op, opgedaan
  • opdrijven, dreef op, opgedreven
  • opduiken, dook op, opgedoken
  • openblijven, bleef open, opengebleven
  • openbreken, brak open, opengebroken
  • opendoen, deed open, opengedaan
  • opengaan, ging open, opengegaan
  • openhangen, hing open, opengehangen
  • openhouden, hield open, opengehouden
  • openlaten, liet open, opengelaten
  • openliggen, lag open, opengelegen
  • openrijten, reet open, opengereten
  • openschieten, schoot open, opengeschoten
  • openschuiven, schoof open, opengeschoven
  • openslaan, sloeg open, opengeslagen
  • opensnijden, sneed open, opengesneden
  • opensplijten, spleet open, opengespleten
  • openspringen, sprong open, opengesprongen
  • openstaan, stond open, opengestaan
  • opentrekken, trok open, opengetrokken
  • openvliegen, vloog open, opengevlogen
  • openvouwen, vouwde open, opengevouwen
  • opgeven, gaf op, opgegeven
  • ophangen, hing op, opgehangen
  • ophebben, had op, opgehad
  • ophouden, hield op, opgehouden
  • opjagen, joeg op/jaagde op, opgejaagd
  • opkijken, keek op, opgekeken
  • opklimmen, klom op, opgeklommen
  • opklinken, klonk op, opgeklonken
  • oprijden, reed op, opgereden
  • oproepen, riep op, opgeroepen
  • opschenken, schonk op, opgeschonken
  • opschrijven, schreef op, opgeschreven
  • opschrikken ('met schrik het hoofd opheffen', 'flink schrikken'), schrok op/schrikte op, opgeschrokken/opgeschrikt
  • opslaan, sloeg op, opgeslagen
  • opspannen, spande op, opgespannen
  • opspringen, sprong op, opgesprongen
  • opspuiten, spoot op, opgespoten
  • opsteken, stak op, opgestoken
  • opstijgen, steeg op, opgestegen
  • opstoten, stootte op, opgestoten
  • opstrijken, streek op, opgestreken
  • opstuiven, stoof op, opgestoven
  • optreden, trad op, opgetreden
  • optrekken, trok op, opgetrokken
  • opvallen, viel op, opgevallen
  • opvliegen, vloog op, opgevlogen
  • opvouwen, vouwde op, opgevouwen
  • opvragen, vroeg op/vraagde op, opgevraagd
  • opvreten, vrat op, opgevreten
  • opvriezen, vroor op, opgevroren
  • opwaaien, waaide op/woei op, opgewaaid
  • opwegen, woog op, opgewogen
  • opwerpen, wierp op, opgeworpen
  • opwinden, wond op, opgewonden
  • opwrijven, wreef op, opgewreven
  • opzeggen, zei op/zegde op, opgezegd
  • opzien, zag op, opgezien
  • opzoeken, zocht op, opgezocht
  • opzuigen, zoog op, opgezogen
  • opzuipen, zoop op, opgezopen
  • overblijven, bleef over, overgebleven
  • overbrengen, bracht over, overgebracht
  • overdoen, deed over, overgedaan
  • overdragen, droeg over, overgedragen
  • overdrijven, overdreef, overdreven
  • overeenbrengen, bracht overeen, overeengebracht
  • overeenkomen, kwam overeen, overeengekomen
  • overgaan, ging over, overgegaan
  • overgeven, gaf over, overgegeven
  • overgieten ('overschenken'), goot over, overgegoten
  • overgieten ('door gieten bedekken'), overgoot, overgoten
  • overhangen, hing over, overgehangen
  • overhebben, had over, overgehad
  • overhoopliggen, lag overhoop, overhoopgelegen
  • overhoopschieten, schoot overhoop, overhoopgeschoten
  • overhoopsteken, stak overhoop, overhoopgestoken
  • overhouden, hield over, overgehouden
  • overkijken, keek over, overgekeken
  • overkomen, overkwam, overkomen
  • overladen ('overschepen'), laadde over, overgeladen
  • overladen ('overstelpen'), overlaadde, overladen
  • overlaten, liet over, overgelaten
  • overlezen, las over, overgelezen
  • overlijden, overleed, overleden
  • overlopen ('overstromen', 'deserteren'), liep over, overgelopen
  • overlopen ('onder de voet lopen', 'snel doornemen'), overliep, overlopen
  • overnemen, nam over, overgenomen
  • overrijden ('omverrijden'), overreed, overreden
  • overrijden ('nog eens rijden'), reed over, overgereden
  • overschrijden, overschreed, overschreden
  • overschrijven ('vastleggen en daarbij andere gegevens wissen'), overschreef, overschreven
  • overschrijven ('kopiëren', 'gireren'), schreef over, overgeschreven
  • overslaan, sloeg over, overgeslagen
  • overspannen, overspande, overspannen
  • overspringen, sprong over, overgesprongen
  • oversteken, stak over, overgestoken
  • overtreden, overtrad, overtreden
  • overtrekken, trok over, overgetrokken
  • overvallen, overviel, overvallen
  • overvaren, voer over, overgevaren
  • overvliegen, vloog over, overgevlogen
  • overvragen, overvroeg/overvraagde, overvraagd
  • overwaaien, waaide over/woei over, overgewaaid
  • overwegen, overwoog, overwogen
  • overzwemmen, zwom over, overgezwommen

begin A B D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z

  • paardjerijden, reed paardje, paardjegereden
  • paardrijden, reed paard, paardgereden
  • partijtrekken, trok partij, partijgetrokken
  • plaatsgrijpen, greep plaats, plaatsgegrepen
  • plaatshebben, had plaats, plaatsgehad
  • plaatsnemen, nam plaats, plaatsgenomen
  • plaatsvinden, vond plaats, plaatsgevonden
  • platrijden, reed plat, platgereden
  • platschieten, schoot plat, platgeschoten
  • platslaan, sloeg plat, platgeslagen
  • platspuiten, spoot plat, platgespoten
  • platstrijken, streek plat, platgestreken
  • plattreden, trad plat, platgetreden
  • plegen ('gewoon zijn'), placht, geplogen
  • pluizen ('uitrafelen'), ploos, geplozen
  • ponyrijden, reed pony, ponygereden
  • prijsgeven, gaf prijs, prijsgegeven
  • prijzen ('loven'), prees, geprezen
  • proefrijden, reed proef, proefgereden
  • proefvaren, proefvaarde, proefgevaren

begin A B D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z

  • raden, raadde/ried, geraden
  • rechtbuigen, boog recht, rechtgebogen
  • rechthouden, hield recht, rechtgehouden
  • rechtstaan, stond recht, rechtgestaan
  • rechttrekken, trok recht, rechtgetrokken
  • rieken, rook, geroken
  • rijden, reed, gereden
  • rijgen, reeg, geregen
  • rijten, reet, gereten
  • rijven, reef, gereven
  • rijzen, rees, gerezen
  • roepen, riep, geroepen
  • rondbrengen, bracht rond, rondgebracht
  • ronddragen, droeg rond, rondgedragen
  • ronddrijven, dreef rond, rondgedreven
  • rondhangen, hing rond, rondgehangen
  • rondkijken, keek rond, rondgekeken
  • rondkomen, kwam rond, rondgekomen
  • rondkruipen, kroop rond, rondgekropen
  • rondrijden, reed rond, rondgereden
  • rondspringen, sprong rond, rondgesprongen
  • rondtrekken, trok rond, rondgetrokken
  • rondvaren, voer rond/vaarde rond, rondgevaren
  • rondvliegen, vloog rond, rondgevlogen
  • rondvragen, vroeg rond, rondgevraagd
  • rondzenden, zond rond, rondgezonden
  • rondzien, zag rond, rondgezien
  • rondzwemmen, zwom rond, rondgezwommen
  • ruiken, rook, geroken

begin A B D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z

  • samenbinden, bond samen, samengebonden
  • samenblijven, bleef samen, samengebleven
  • samenbrengen, bracht samen, samengebracht
  • samendoen, deed samen, samengedaan
  • samendrijven, dreef samen, samengedreven
  • samendringen, drong samen, samengedrongen
  • samengaan, ging samen, samengegaan
  • samenhangen, hing samen, samengehangen
  • samenklinken, klonk samen, samengeklonken
  • samenknijpen, kneep samen, samengeknepen
  • samenkomen, kwam samen, samengekomen
  • samenkrimpen, kromp samen, samengekrompen
  • samenlopen, liep samen, samengelopen
  • samenroepen, riep samen, samengeroepen
  • samensmelten, smolt samen, samengesmolten
  • samenspannen, spande samen, samengespannen
  • samentreffen, trof samen, samengetroffen
  • samentrekken, trok samen, samengetrokken
  • samenvallen, viel samen, samengevallen
  • samenvlechten, vlocht samen, samengevlochten
  • samenvouwen, vouwde samen, samengevouwen
  • samenzweren, zwoer samen/zweerde samen, samengezworen
  • scheefslaan, sloeg scheef, scheefgeslagen
  • scheeftrekken, trok scheef, scheefgetrokken
  • scheelzien, zag scheel, scheelgezien
  • scheiden, scheidde, gescheiden
  • schelden, schold, gescholden
  • schenden, schond, geschonden
  • schenken, schonk, geschonken
  • scheppen ('creëren'), schiep, geschapen
  • scheren ('(baard)haar weghalen'), schoor, geschoren
  • schieten, schoot, geschoten
  • schijnen, scheen, geschenen
  • schijten, scheet, gescheten
  • schoolblijven, bleef school, schoolgebleven
  • schoonhouden, hield schoon, schoongehouden
  • schoonwrijven, wreef schoon, schoongewreven
  • schrijden, schreed, geschreden
  • schrijven, schreef, geschreven
  • schrikken ('bang worden'), schrok, geschrokken
  • schrikken ('ineens laten afkoelen met koud water'), schrikte/schrok, geschrikt/geschrokken
  • schuilen, schuilde/school, geschuild/gescholen
  • schuilhouden, hield schuil, schuilgehouden
  • schuiven, schoof, geschoven
  • slaan, sloeg, geslagen
  • slapen, sliep, geslapen
  • slijpen, sleep, geslepen
  • slijten, sleet, gesleten
  • slinken, slonk, geslonken
  • sluipen, sloop, geslopen
  • sluiten, sloot, gesloten
  • smelten, smolt, gesmolten
  • smijten, smeet, gesmeten
  • snijden, sneed, gesneden
  • snuiten, snoot, gesnoten
  • snuiven, snoof, gesnoven
  • spannen, spande, gespannen
  • spijten, speet, gespeten
  • spinnen ('een draad maken van wol'), spon, gesponnen
  • splijten, spleet, gespleten
  • spouwen, spouwde, gespouwen
  • spreken, sprak, gesproken
  • springen, sprong, gesprongen
  • spruiten, sproot, gesproten
  • spugen, spuugde/spoog, gespuugd/gespogen
  • spuiten, spoot, gespoten
  • staan, stond, gestaan
  • steken, stak, gestoken
  • stelen, stal, gestolen
  • sterven, stierf, gestorven
  • stijgen, steeg, gestegen
  • stijven ('met stijfsel bewerken'), steef, gesteven
  • stilhouden, hield stil, stilgehouden
  • stilstaan, stond stil, stilgestaan
  • stilvallen, viel stil, stilgevallen
  • stinken, stonk, gestonken
  • stoten, stootte/stiet, gestoten
  • strijden, streed, gestreden
  • strijken, streek, gestreken
  • stuiven, stoof, gestoven
  • stukbijten, beet stuk, stukgebeten
  • stukbreken, brak stuk, stukgebroken
  • stukgaan, ging stuk, stukgegaan
  • stukknijpen, kneep stuk, stukgeknepen
  • stukschieten, schoot stuk, stukgeschoten
  • stuksmijten, smeet stuk, stukgesmeten
  • stuksnijden, sneed stuk, stukgesneden
  • stuktrekken, trok stuk, stukgetrokken
  • stukvallen, viel stuk, stukgevallen
  • stukvriezen, vroor stuk, stukgevroren

begin A B D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z

  • tegemoetzien, zag tegemoet, tegemoetgezien
  • tegenhouden, hield tegen, tegengehouden
  • tegenstaan, stond tegen, tegengestaan
  • tegenvallen, viel tegen, tegengevallen
  • tekortdoen, deed tekort, tekortgedaan
  • tekortkomen, kwam tekort, tekortgekomen
  • televisiekijken, keek televisie, televisiegekeken
  • tenietdoen, deed teniet, tenietgedaan
  • tenietgaan, ging teniet, tenietgegaan
  • terechtbrengen, bracht terecht, terechtgebracht
  • terechtkomen, kwam terecht, terechtgekomen
  • terechtkunnen, kon terecht, terechtgekund
  • terechtstaan, stond terecht, terechtgestaan
  • terechtwijzen, wees terecht, terechtgewezen
  • terneerliggen, lag terneer, terneergelegen
  • terneerslaan, sloeg terneer, terneergeslagen
  • terneervallen, viel terneer, terneergevallen
  • terugbrengen, bracht terug, teruggebracht
  • terugdenken, dacht terug, teruggedacht
  • terugdoen, deed terug, teruggedaan
  • terugdrijven, dreef terug, teruggedreven
  • terugfluiten, floot terug, teruggefloten
  • teruggaan, ging terug, teruggegaan
  • teruggeven, gaf terug, teruggegeven
  • terughangen, hing terug, teruggehangen
  • terughouden, hield terug, teruggehouden
  • terugkijken, keek terug, teruggekeken
  • terugkomen, kwam terug, teruggekomen
  • terugkopen, kocht terug, teruggekocht
  • terugkrijgen, kreeg terug, teruggekregen
  • teruglezen, las terug, teruggelezen
  • teruglopen, liep terug, teruggelopen
  • terugnemen, nam terug, teruggenomen
  • terugontvangen, ontving terug, terugontvangen
  • terugrijden, reed terug, teruggereden
  • terugroepen, riep terug, teruggeroepen
  • terugschrijven, schreef terug, teruggeschreven
  • terugschrikken, schrok/schrikte terug, teruggeschokken/teruggeschrikt
  • terugslaan, sloeg terug, teruggeslagen
  • terugsteken, stak terug, teruggestoken
  • terugtreden, trad terug, teruggetreden
  • terugtrekken, trok terug, teruggetrokken
  • terugvallen, viel terug, teruggevallen
  • terugvaren, voer terug/vaarde terug, teruggevaren
  • terugvechten, vocht terug, teruggevochten
  • terugvliegen, vloog terug, teruggevlogen
  • terugvragen, vroeg terug/vraagde terug, teruggevraagd
  • terugwijken, week terug, teruggeweken
  • terugwijzen, wees terug, teruggewezen
  • terugwinnen, won terug, teruggewonnen
  • terugzeggen, zei terug/zegde terug, teruggezegd
  • terugzenden, zond terug, teruggezonden
  • terugzien, zag terug, teruggezien
  • terugzinken, zonk terug, teruggezonken
  • terugzoeken, zocht terug, teruggezocht
  • teweegbrengen, bracht teweeg, teweeggebracht
  • theedrinken, dronk thee, theegedronken
  • thuisblijven, bleef thuis, thuisgebleven
  • thuisbrengen, bracht thuis, thuisgebracht
  • thuishouden, hield thuis, thuisgehouden
  • thuiskomen, kwam thuis, thuisgekomen
  • thuiskrijgen, kreeg thuis, thuisgekregen
  • thuislaten, liet thuis, thuisgelaten
  • thuiszitten, zat thuis, thuisgezeten
  • tijgen, toog, getogen
  • toebrengen, bracht toe, toegebracht
  • toedrinken, dronk toe, toegedronken
  • toegaan, ging toe, toegegaan
  • toegeven, gaf toe, toegegeven
  • toekijken, keek toe, toegekeken
  • toeknijpen, kneep toe, toegeknepen
  • toekomen, kwam toe, toegekomen
  • toekunnen, kon toe, toegekund
  • toeroepen, riep toe, toegeroepen
  • toeschrijven, schreef toe, toegeschreven
  • toeslaan, sloeg toe, toegeslagen
  • toespreken, sprak toe, toegesproken
  • toestaan, stond toe, toegestaan
  • toesteken, stak toe, toegestoken
  • toetreden, trad toe, toegetreden
  • toetrekken, trok toe, toegetrokken
  • toevallen, viel toe, toegevallen
  • toevouwen, vouwde toe, toegevouwen
  • toezeggen, zegde toe/zei toe, toegezegd
  • toezenden, zond toe, toegezonden
  • toezien, zag toe, toegezien
  • toezingen, zong toe, toegezongen
  • treden, trad, getreden
  • treffen, trof, getroffen
  • trekken, trok, getrokken
  • tv-kijken, keek tv, tv-gekeken

begin A B D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z

  • uitblinken, blonk uit, uitgeblonken
  • uitbreken, brak uit, uitgebroken
  • uitbrengen, bracht uit, uitgebracht
  • uitdoen, deed uit, uitgedaan
  • uitdrijven, dreef uit, uitgedreven
  • uitdrinken, dronk uit, uitgedronken
  • uiteendoen, deed uiteen, uiteengedaan
  • uiteendrijven, dreef uiteen, uiteengedreven
  • uiteengaan, ging uiteen, uiteengegaan
  • uiteenhouden, hield uiteen, uiteengehouden
  • uiteenlopen, liep uiteen, uiteengelopen
  • uiteenslaan, sloeg uiteen, uiteengeslagen
  • uiteenvallen, viel uiteen, uiteengevallen
  • uiteten ('leegeten', 'buitenshuis eten'), at uit, uitgegeten (ook: 'Ben je nu eindelijk uitgegeten?' = 'klaar met eten')
  • uitfluiten, floot uit, uitgefloten
  • uitgeven, gaf uit, uitgegeven
  • uithangen, hing uit, uitgehangen
  • uithouden, hield uit, uitgehouden
  • uitkijken, keek uit, uitgekeken
  • uitpluizen, ploos uit/pluisde uit, uitgeplozen
  • uitrijden, reed uit, uitgereden
  • uitrijden, reed uit, uitgereden
  • uitroepen, riep uit, uitgeroepen
  • uitscheiden ('ophouden'), scheidde uit/schee uit, uitgescheid/uitgescheeën
  • uitschenken, schonk uit, uitgeschonken
  • uitslaan, sloeg uit, uitgeslagen
  • uitspannen, spande uit, uitgespannen
  • uitspinnen, spon uit, uitgesponnen
  • uitspreken, sprak uit, uitgesproken
  • uitspringen, sprong uit, uitgesprongen
  • uitspruiten, sproot uit, uitgesproten
  • uitspugen, spuugde uit/spoog uit, uitgespuugd/uitgespogen
  • uitspuiten, spoot uit, uitgespoten
  • uitstaan, stond uit, uitgestaan
  • uitsteken, stak uit, uitgestoken
  • uitsterven, stierf uit, uitgestorven
  • uitstoten, stootte uit, uitgestoten
  • uittreden, trad uit, uitgetreden
  • uittrekken, trok uit, uitgetrokken
  • uitvallen, viel uit, uitgevallen
  • uitvaren ('reis beginnen', 'schelden'), voer uit/vaarde uit, uitgevaren
  • uitvechten, vocht uit, uitgevochten
  • uitvliegen, vlogen uit, uitgevlogen
  • uitvouwen, vouwde uit, uitgevouwen
  • uitvragen, vroeg uit/vraagde uit, uitgevraagd
  • uitwaaien, waaide uit/woei uit, uitgewaaid
  • uitwijken, week uit, uitgeweken
  • uitwrijven, wreef uit, uitgewreven
  • uitzien, zag uit, uitgezien
  • uitzingen, zong uit, uitgezongen
  • uitzoeken, zocht uit, uitgezocht
  • uitzuigen, zoog uit, uitgezogen
  • uitzwemmen, zwom uit, uitgezwommen

begin A B D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z

  • vallen, viel, gevallen
  • vangen, ving, gevangen
  • varen, voer/vaarde, gevaren
  • vastbakken, bakte vast, vastgebakken
  • vastbijten, beet vast, vastgebeten
  • vastbinden, bond vast, vastgebonden
  • vastgrijpen, greep vast, vastgegrepen
  • vasthebben, had vast, vastgehad
  • vasthouden, hield vast, vastgehouden
  • vastklinken, klonk vast, vastgeklonken
  • vastliggen, lag vast, vastgelegen
  • vastlopen, liep vast, vastgelopen
  • vastrijden, reed vast, vastgereden
  • vastrijgen, reeg vast, vastgeregen
  • vastslaan, sloeg vast, vastgeslagen
  • vaststaan, stond vast, vastgestaan
  • vasttrekken, trok vast, vastgetrokken
  • vastvriezen, vroor vast, vastgevroren
  • vastzitten, zat vast, vastgezeten
  • vastzuigen, zoog vast, vastgezogen
  • vechten, vocht, gevochten
  • verbannen, verbande, verbannen
  • verbergen, verborg, verborgen
  • verbieden, verbood, verboden
  • verbijten, verbeet, verbeten
  • verblijven, verbleef, verbleven
  • verbreken, verbrak, verbroken
  • verbuigen, verboog, verbogen
  • verdrieten, verdroot, verdroten
  • verdrijven, verdreef, verdreven
  • verdrinken, verdronk, verdronken
  • verdwijnen, verdween, verdwenen
  • vergelden, vergold, vergolden
  • vergelijken, vergeleek, vergeleken
  • vergeten, vergat, vergeten
  • vergeven, vergaf, vergeven
  • vergieten, vergoot, vergoten
  • verglijden, vergleed, vergleden
  • vergrijpen, vergreep, vergrepen
  • verhangen, verhing, verhangen
  • verheffen, verhief, verheven
  • verkiezen, verkoos, verkozen
  • verkijken, verkeek, verkeken
  • verkrijgen, verkreeg, verkregen
  • verlaten, verliet, verlaten
  • verliezen, verloor, verloren
  • verlijden, verleed, verleden
  • vermijden, vermeed, vermeden
  • verraden, verraadde/verried, verraden
  • verrijzen, verrees, verrezen
  • verschieten, verschoot, verschoten
  • verschrijven, verschreef, verschreven
  • verschrikken ('schrik voelen'), verschrok, verschrokken
  • verschuilen, verschool/verschuilde, verscholen
  • verschuiven, verschoof, verschoven
  • verslijten, versleet, versleten
  • verslinden, verslond, verslonden
  • versnijden, versneed, versneden
  • verstaan, verstond, verstaan
  • versterven, verstierf, verstorven
  • verstrijken, verstreek, verstreken
  • vertreden, vertrad, vertreden
  • vertrekken, vertrok, vertrokken
  • vervliegen, vervloog, vervlogen
  • verwerven, verwierf, verworven
  • verwijten, verweet, verweten
  • verwijzen, verwees, verwezen
  • verzinken, verzonk, verzonken
  • verzinnen, verzon, verzonnen
  • verzoeken, verzocht, verzocht
  • verzuipen, verzoop, verzopen
  • verzwelgen, verzwolg, verzwolgen
  • verzweren, verzwoor, verzworen
  • verzwinden, verzwond, verzwonden
  • vinden, vond, gevonden
  • vlakstrijken, streek vlak, vlakgestreken
  • vlechten, vlocht, gevlochten
  • vlieden, vlood, gevloden
  • vliegen, vloog, gevlogen
  • vlieten, vloot, gevloten
  • volbrengen, volbracht, volbracht
  • voldoen, voldeed, voldaan
  • voleinden, voleindde, voleind
  • volgieten, goot vol, volgegoten
  • volhouden, hield vol, volgehouden
  • volladen, laadde vol, volgeladen
  • vollopen, liep vol, volgelopen
  • volprijzen, volprees, volprezen
  • volschenken, schonk vol, volgeschonken
  • volschieten, schoot vol, volgeschoten
  • volschrijven, schreef vol, volgeschreven
  • volsmijten, smeet vol, volgesmeten
  • volstaan, volstond, volstaan
  • voltrekken, voltrok, voltrokken
  • volvreten, vrat vol, volgevreten
  • volwerpen, wierp vol, volgeworpen
  • volzuigen, zoog vol, volgezogen
  • voorbakken, bakte voor, voorgebakken
  • voorbidden, bad voor, voorgebeden
  • voorbijdrijven, dreef voorbij, voorbijgedreven
  • voorbijgaan, ging voorbij, voorbijgegaan
  • voorbijkomen, kwam voorbij, voorbijgekomen
  • voorbijlopen, liep voorbij, voorbijgelopen
  • voorbijrijden, reed voorbij, voorbijgereden
  • voorbijschieten, schoot voorbij, voorbijgeschoten
  • voorbijsteken, stak voorbij, voorbijgestoken
  • voorbijtrekken, trok voorbij, voorbijgetrokken
  • voorbijvaren, voer/vaarde voorbij, voorbijgevaren
  • voorbijvliegen, vloog voorbij, voorbijgevlogen
  • voorbijzien, zag voorbij, voorbijgezien
  • voorbijzwemmen, zwom voorbij, voorbijgezwommen
  • voorbinden, bond voor, voorgebonden
  • voorblijven, bleef voor, voorgebleven
  • voorbrengen, bracht voor, voorgebracht
  • voordoen, deed voor, voorgedaan
  • voordragen, droeg voor, voorgedragen
  • voordringen, drong voor, voorgedrongen
  • voorgaan, ging voor, voorgegaan
  • voorgeven, gaf voor, voorgegeven
  • voorhebben, had voor, voorgehad
  • voorhouden, hield voor, voorgehouden
  • voorkomen ('toeschijnen'), kwam voor, voorgekomen
  • voorkomen ('beletten'), voorkwam, voorkomen
  • voorlaten, liet voor, voorgelaten
  • voorlezen, las voor, voorgelezen
  • voorliegen, loog voor, voorgelogen
  • voorliggen, lag voor, voorgelegen
  • voorlopen, liep voor, voorgelopen
  • voornemen, nam voor, voorgenomen
  • vooroprijden, reed voorop, vooropgereden
  • vooropstaan, stond voorop, vooropgestaan
  • vooroverbuigen, boog voorover, voorovergebogen
  • vooroverzitten, zat voorover, voorovergezeten
  • voorrijden, reed voor, voorgereden
  • voorschieten, schoot voor, voorgeschoten
  • voorschrijven, schreef voor, voorgeschreven
  • voorsnijden, sneed voor, voorgesneden
  • voorspreken, sprak voor, voorgesproken
  • voorstaan, stond voor, voorgestaan
  • voortbewegen, bewoog voort, voortbewogen
  • voortbrengen, bracht voort, voortgebracht
  • voortdrijven, dreef voort, voortgedreven
  • voortgaan, ging voort, voortgegaan
  • voortjagen, joeg voort/jaagde voort, voortgejaagd
  • voortrekken, trok voor, voorgetrokken
  • voortschrijden, schreed voort, voortgeschreden
  • voortspruiten, sproot voort, voortgesproten
  • voorttrekken, trok voort, voortgetrokken
  • vooruithelpen, hielp vooruit, vooruitgeholpen
  • vooruitkijken, keek vooruit, vooruitgekeken
  • vooruitkomen, kwam vooruit, vooruitgekomen
  • vooruitlopen, liep vooruit, vooruitgelopen
  • vooruitrijden, reed vooruit, vooruitgereden
  • vooruitschuiven, schoof vooruit, vooruitgeschoven
  • vooruitspringen, sprong vooruit, vooruitgesprongen
  • vooruitsteken, stak vooruit, vooruitgestoken
  • vooruitwerpen, wierp vooruit, vooruitgeworpen
  • vooruitzien, zag vooruit, vooruitgezien
  • voorvallen, viel voor, voorgevallen
  • voorzeggen ('voorspellen'), voorzei/voorzegde, voorzegd
  • voorzeggen, zei voor/zegde voor, voorgezegd
  • voorzingen, zong voor, voorgezongen
  • voorzitten, zat voor, voorgezeten
  • vormgeven, gaf vorm, vormgegeven
  • vouwen, vouwde, gevouwen
  • vragen, vroeg/vraagde, gevraagd
  • vreten, vrat, gevreten
  • vriezen, vroor, gevroren
  • vrijen, vrijde/vree, gevrijd/gevreeën
  • vrijgeven, gaf vrij, vrijgegeven
  • vrijhouden, hield vrij, vrijgehouden
  • vrijkopen, kocht vrij, vrijgekocht
  • vrijlaten, liet vrij, vrijgelaten
  • vrijlopen, liep vrij, vrijgelopen
  • vrijspreken, sprak vrij, vrijgesproken
  • vrijstaan, stond vrij, vrijgestaan
  • vrijvechten, vocht vrij, vrijgevochten

begin A B D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z

  • waaien, waaide/woei, gewaaid
  • wachtlopen, liep wacht, wachtgelopen
  • warmlopen, liep warm, warmgelopen
  • wassen ('groeien', verouderd), wies, gewassen
  • wassen ('reinigen'), waste, gewassen
  • weergeven, gaf weer, weergegeven
  • weerklinken, weerklonk, weerklonken
  • weerzien, zag weer, weergezien
  • wegbergen, borg weg, weggeborgen
  • wegblazen, blies weg, weggeblazen
  • wegblijven, bleef weg, weggebleven
  • wegbreken, brak weg, weggebroken
  • wegbrengen, bracht weg, weggebracht
  • wegdenken, dacht weg, weggedacht
  • wegdoen, deed weg, weggedaan
  • wegdragen, droeg weg, weggedragen
  • wegdrijven, dreef weg, weggedreven
  • wegduiken, dook weg, weggedoken
  • wegen, woog, gewogen
  • weggaan, ging weg, weggegaan
  • weggeven, gaf weg, weggegeven
  • wegglijden, gleed weg, weggegleden
  • weghangen, hing weg, weggehangen
  • weghouden, hield weg, weggehouden
  • wegjagen, joeg weg/jaagde weg, weggejaagd
  • wegkijken, keek weg, weggekeken
  • wegkomen, kwam weg, weggekomen
  • wegkopen, kocht weg, weggekocht
  • wegkruipen, kroop weg, weggekropen
  • weglachen, lachte weg, weggelachen
  • weglaten, liet weg, weggelaten
  • weglopen, liep weg, weggelopen
  • wegnemen, nam weg, weggenomen
  • wegrijden, reed weg, weggereden
  • wegroepen, riep weg, weggeroepen
  • wegschenken, schonk weg, weggeschonken
  • wegscheren, schoor weg, weggeschoren
  • wegschieten, schoot weg, weggeschoten
  • wegschrijven, schreef weg, weggeschreven
  • wegschuilen, school weg/schuilde weg, weggescholen/weggeschuild
  • wegschuiven, schoof weg, weggeschoven
  • wegslaan, sloeg weg, weggeslagen
  • wegslijten, sleet weg, weggesleten
  • wegsluipen, sloop weg, weggeslopen
  • wegsluiten, sloot weg, weggesloten
  • wegsmelten, smolt weg, weggesmolten
  • wegsmijten, smeet weg, weggesmeten
  • wegsnijden, sneed weg, weggesneden
  • wegspringen, sprong weg, weggesprongen
  • wegspuiten, spoot weg, weggespoten
  • wegsteken, stak weg, weggestoken
  • wegsterven, stierf weg, weggestorven
  • wegstrijken, streek weg, weggestreken
  • wegstuiven, stoof weg, weggestoven
  • wegtrekken, trok weg, weggetrokken
  • wegvallen, viel weg, weggevallen
  • wegvaren, voer weg/vaarde weg, weggevaren
  • wegvliegen, vloog weg, weggevlogen
  • wegwaaien, waaide weg/woei weg, weggewaaid
  • wegzenden, zond weg, weggezonden
  • wegzinken, zonk weg, weggezonken
  • wegzuigen, zoog weg, weggezogen
  • wegzwemmen, zwom weg, weggezwommen
  • werpen, wierp, geworpen
  • werven, wierf, geworven
  • weten, wist, geweten
  • weven, weefde, geweven
  • wijken, week, geweken
  • wijten, weet, geweten
  • wijzen, wees, gewezen
  • willen, wou (wilde), gewild
  • winden, wond, gewonden
  • winnen, won, gewonnen
  • worden, werd, geworden
  • wreken, wreekte, gewroken
  • wrijven, wreef, gewreven
  • wringen, wrong, gewrongen
  • wuiven, wuifde/woof, gewuifd/gewoven

begin A B D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z

  • zakendoen, deed zaken, zakengedaan
  • zeggen, zei/zegde, gezegd
  • zeiken ('plassen', 'zeuren'), zeikte/zeek, gezeikt/gezeken
  • zenden, zond, gezonden
  • zieden ('door koken produceren'), ziedde/zood, gezied/gezoden
  • zien, zag, gezien
  • zijgen, zeeg, gezegen
  • zijn, was/waren, geweest
  • zingen, zong, gezongen
  • zinken, zonk, gezonken
  • zinnen ('denken'), zon, gezonnen
  • zitten, zat, gezeten
  • zoekbrengen, bracht zoek, zoekgebracht
  • zoetbrengen, bracht zoet, zoetgebracht
  • zoeken, zocht, gezocht
  • zorgdragen, droeg zorg, zorggedragen (Groene Boekje: zorg dragen, droeg zorg, zorg gedragen)
  • zouten, zoutte, gezouten
  • zuigen, zoog, gezogen
  • zuipen, zoop, gezopen
  • zullen, zou, gezuld
  • zwartkijken, keek zwart, zwartgekeken
  • zwartrijden, reed zwart, zwartgereden
  • zwelgen, zwolg/zwelgde, gezwolgen
  • zwellen, zwol, gezwollen
  • zwemmen, zwom, gezwommen
  • zweren ('een eed afleggen'), zwoer, gezworen
  • zweren ('etteren'), zwoor/zweerde, gezworen/gezweerd
  • zwerven, zwierf, gezworven
  • zwijgen, zweeg, gezwegen
  • zwijmen, zwijmde/zweem, gezwijmd/gezwemen