Afzeggen heeft twee verleden tijden: de sterke vorm zei af (meervoud: zeiden af) en de zwakke vorm zegde af (meervoud: zegden af). De zwakke vorm is het gebruikelijkst.

Ook bij veel andere werkwoorden die op -zeggen eindigen, zoals ontzeggen, opzeggen, toezeggen en voorzeggen, zijn er twee mogelijkheden:  

  • Denk je dat ze daarom afzegden/afzeiden?
  • Ze zegde/zei onmiddellijk toe.
  • Ze ontzegden/ontzeiden hun kinderen niks.
  • Hij zegde/zei zijn abonnement per direct op.

Klik voor meer voorbeelden op het tabblad ‘Voorbeelden’ hierboven.

Zeggen - zei - gezegd

Zeggen zelf heeft in de standaardtaal een sterke verleden tijd: zei/zeiden. De zwakke vorm zegde/zegden komt in België nog wel voor in wat formelere schrijftaal. Bijvoorbeeld: 

  • De minister zei dat hij niet de juiste man op de juiste plaats was. 
  • Zijn vader zegde hem dat hij trots op hem was en de zaak met vertrouwen aan hem overdroeg. (formeel)

Afzeggen, ontzeggen

In samenstellingen en afleidingen met -zeggen komt juist de zwakke vorm vaker voor: zegde af is gewoner dan zei af, zegde op gewoner dan zei op, ontzegde gewoner dan ontzei, enz. Maar bijvoorbeeld bij voorzeggen, doorzeggen en nazeggen is zei juist weer gebruikelijker dan zegde.

Het voltooid deelwoord is in alle gevallen zwak: gezegd, afgezegd, opgezegd, ontzegd, enz.

Toch nog een vraag?

Onze taaladviseurs staan elke werkdag voor je klaar. Neem contact op via

Bel 085 00 28 428 van 9.30 tot 12.00 uur (op donderdag tot 11.00 uur) en van 13.30 tot 16.00 uur Bel 085 00 28 428 van 9.30 tot 12.00 uur (op donderdag tot 11.00 uur) en van 13.30 tot 16.00 uur

(gebruikelijke belkosten, geen extra kosten)

Of stel je vraag via social media of per mail

Hieronder staan meer voorbeelden van werkwoorden die eindigen op zeggen. Bij de meeste zijn twee vormen mogelijk. Als een van de twee duidelijk gebruikelijker is, is die vet gedrukt.

  • afzeggen: zegde af, zei af
  • aanzeggen: zegde aan, zei aan
  • dankzeggen: zegde dank, zei dank
  • doorzeggen: zegde door, zei door
  • gedag zeggen: zegde gedag, zei gedag
  • miszeggen: miszegde, miszei
  • nazeggen: zegde na, zei na
  • ontzeggen: ontzegde, ontzei
  • opzeggen (in de betekenis ‘(laten) beëndigen’): zegde op, zei op
  • opzeggen (in de betekenis ‘voordragen’): zegde op, zei op
  • terugzeggen: zei terug
  • toezeggen: zegde toe, zei toe
  • vaarwelzeggen: zegde vaarwel, zei vaarwel
  • verzeggen: verzegde
  • voorzeggen: zegde voor, zei voor
  • voortzeggen: zegde voort, zei voort
  • weerzeggen: weerzegde
  • zingzeggen: zingzegde

In ouder Nederlands kom je verschillende vormen tegen: zowel zei af als zegde af bijvoorbeeld. Ook gezeid als voltooid deelwoord is een tijdje in gebruik geweest, naast zegde en zeide voor de verleden tijd.

In de negentiende eeuw werd zeggen - zei - gezegd het gewoonst. Als ‘losse’ verleden tijd is zegde nooit echt algemeen geworden. In samenstellingen en afleidingen met -zeggen, zoals afzeggen, toezeggen en ontzeggen wel: zegde af, ontzegde en zegde toe zijn gebruikelijker dan zei af, ontzei en zei toe.

Wanneer zwak en wanneer sterk?

Er is geen regel of ezelsbruggetje om te bepalen welke zeggen-werkwoorden meestal zwak vervoegd worden en welke sterk. Wel is er een patroon waar te nemen. Het lijkt erop dat bij woorden waarbij letterlijk iets ‘gezegd’ wordt – zoals voorzeggen, nazeggen en doorzeggen (‘doorvertellen’) – de sterke verledentijdsvorm vaker voorkomt. Bij ‘figuurlijk’ gebruik van zeggen is de zwakke vorm gewoner, zoals bij afzeggen, opzeggen, ontzeggen en toezeggen.