Waar komt onbeschoft vandaan, zoals in ‘Ze gedroeg zich erg onbeschoft tegen de andere reizigers’? 

Onbeschoft betekent ‘lomp, ruw, grof’. Waar dit woord vandaan komt, is helaas niet duidelijk. Het lijkt op het eerste gezicht logisch: het bestaat uit on- en beschoft. Alleen is beschoft nooit een gebruikelijk woord geweest. Dat maakt het onwaarschijnlijk dat onbeschoft ervan is afgeleid. Hieronder staan drie theorieën over de herkomst van onbeschoft.

Variant van onbeschaafd

De eerste theorie is dat onbeschoft een variant is van onbeschaafd. Beschaafd is afgeleid van het werkwoord beschaven, dat ‘glad maken’ betekende. Het kreeg de figuurlijke betekenis ‘minder ruw maken, verfijnen’, en daarna: ‘goede manieren bijbrengen’. Tegen deze theorie pleit dat onbeschoft ouder lijkt te zijn dan beschaafd: onbeschoft is in 1588 voor het eerst op schrift aangetroffen, maar onbeschaafd duikt pas in 1699 voor het eerst op papier op.

Afgeleid van scheppen

De tweede theorie is dat onbeschoft is afgeleid van scheppen in de betekenis ‘vormen’. Bij vormen kun je namelijk ook denken aan ‘opvoeden, fatsoen bijbrengen’. Scheppen had vroeger de verleden tijd schoep. Het is mogelijk dat daaruit het woord onbeschoept ontstond, dat later onbeschoeft werd en weer later onbeschoft. Onbeschoft zou dan letterlijk betekend hebben: ‘niet opgevoed, zonder vorm of fatsoen’ en vandaar ‘lomp, wanstaltig, lelijk’. De betekenis ‘ruw, lomp (in gedrag)’ is dan mogelijk ontstaan onder invloed van onbeschaafd.

Afgeleid van schub

Volgens de derde verklaring is onbeschoft afgeleid van schub, dat verwant is met het middeleeuwse werkwoord schobben (‘schuren, wrijven’). Onbeschoft zou dan oorspronkelijk iets betekend hebben als ‘ongewreven, ongepoetst’, waaruit de betekenis ‘lomp, grof’ ontstond.