Wat is juist: 'Die broek pas ik eigenlijk niet meer' of 'Die broek past mij eigenlijk niet meer'? 

'Die broek past mij eigenlijk niet meer' is voor de meeste taalgebruikers het best. Als passen de betekenis 'goed zitten, de goede maat hebben' heeft, wordt het bij voorkeur gecombineerd met een indirect object, om precies te zijn een ondervindend voorwerp. Meer voorbeelden:

  • Het is raar, maar die schoenen passen me niet meer.
  • Zijn trouwpak past hem allang niet meer!
  • Mij past maat 40 nog nét.

Toch is 'Die broek pas ik eigenlijk niet meer' voor steeds meer mensen ook mogelijk in de betekenis 'die broek is nu te klein/groot voor mij'.

Er is al eeuwenlang een taalverandering gaande bij werkwoorden die van oudsher een ondervindend voorwerp krijgen, zoals passen. Dat ondervindend voorwerp (me/mij, hem, enz.) wordt in veel zinnen een onderwerp (ik, hij). De volgende zinnen klinken daardoor voor steeds meer mensen ook goed:

  • Het is raar, maar ik pas die schoenen niet meer.
  • Hij past zijn trouwpak allang niet meer!
  • Ik pas maat 40 nog nét.

Alhoewel dit soort zinnen vaak voorkomen, lokken ze nog steeds kritiek uit. De mensen die er kritiek op hebben, wijzen er vaak op dat passen alleen in zinnen als 'Ik pas die schoenen niet, ik vind ze lelijk' juist is. Passen betekent hier 'iets aandoen/aantrekken om te kijken of het goed past/staat'.

De taaladviesboeken zwijgen over zinnen als 'Ik pas die broek eigenlijk niet meer.' Alleen de Schrijfwijzer van Jan Renkema (2012) noemt een zin als 'Ik pas die schoenen niet' in de betekenis 'de schoenen zijn te klein' inmiddels gebruikelijk naast 'Mij passen die schoenen niet.' Taalkundige Joop van der Horst schreef in 1985 (dus al bijna dertig jaar geleden) in het tijdschrift Ons Erfdeel in een artikel over taalveranderingen: “De oorspronkelijke derde naamval, die diende voor wat wij het meewerkend voorwerp noemen, verdwijnt en haar taken worden op allerlei manieren door andere taalelementen overgenomen. (...) Bij de leegloop van het meewerkend voorwerp behoort ook wat we zien gebeuren met het werkwoord passen. Veel jonge mensen spreken al van 'Ik pas die schoenen niet' en 'Zo'n broek pas ik wel' (in de betekenis van 'Mij passen die schoenen niet', enz.).” 

Voorlopig nemen de woordenboeken van Van Dale (2005) en Koenen (2006) alleen voorbeelden op als 'Die kleren passen mij' en 'Die jas past (me) precies'; 'Ik pas die kleren (goed)' en 'Ik pas die jas precies' staan (nog) niet in de woordenboeken.

Hieronder staan tien voorbeelden van zinnen met werkwoorden die met een ondervindend voorwerp werden of worden gecombineerd. Voor de meeste mensen zijn in de zinnenparen 1 en 2 de a-zinnen inmiddels zonder meer juist - het ondervindend voorwerp is daar echt verdwenen. Daarna volgen enkele twijfelgevallen: in de zinnen 3, 4 en 5 is voor de meeste taalgebruikers zowel a als b mogelijk. In de zinnen 6 tot en met 10 zijn de a-zinnen (nog?) onjuist; het ondervindend voorwerp houdt hier stand.

1a Ze lust geen spruitjes.
1b Haar lusten geen spruitjes. (sterk verouderd, niet meer juist)
2a Zij werd het hof gemaakt door een miljonair.
2b Haar werd het hof gemaakt door een miljonair. (verouderd)
3a De mensen zijn er per brief erop gewezen dat ...
3b De mensen is er per brief op gewezen dat ... (verouderend)
4a Ik mankeer gelukkig niets.
4b Mij mankeert gelukkig niets.
5a Na drie maanden zwangerschap paste ik mijn broeken niet meer.
5b Na drie maanden zwangerschap pasten mijn broeken (mij) niet meer.
6a Tijdens de reünie werden oude vriendschappen nieuw leven ingeblazen. (niet juist?)
6b Tijdens de reünie werd oude vriendschappen nieuw leven ingeblazen.
7a Het publiek viel de schellen van de ogen. (niet juist)
7b Het publiek vielen de schellen van de ogen.
8a Hij werd geen blik waardig gekeurd. (niet juist)
8b Hem werd geen blik waardig gekeurd.
9a De reizigers treffen geen blaam. (niet juist)
9b De reizigers treft geen blaam.
10a Zij werden opgedragen de ramen te lappen. (niet juist)
10b Hun werd opgedragen de ramen te lappen.