Wat is juist: het begrote bedrag of het begrootte bedrag?

Juist is: het begrote bedrag.

Het voltooid deelwoord begroot wordt in het begrote bedrag gebruikt als een bijvoeglijk naamwoord. Het is daarom vergelijkbaar met het grote bedrag: er komt een buigings-e na (be)groot, en daardoor kan er één o weg.

Wat maakt het begrote bedrag nu zo’n twijfelgeval? Dat komt doordat begrote hetzelfde klinkt als begrootte. Dat is ook een mogelijke vorm. Begrootte is goed in bijvoorbeeld ‘Zij begrootte het bedrag op drie miljoen euro.’ In deze zin is begrootte een persoonsvorm die in de verleden tijd staat. De regel voor de persoonsvorm verleden tijd is: achter de stam komt de uitgang -te(n) of -de(n). Achter de stam begroot komt -te: zij begrootte.

Bij twijfelgevallen als het begrote bedrag en het bestede bedrag is het dus belangrijk in te zien dat de voltooide deelwoorden begroot en besteed hier de functie hebben van bijvoeglijke naamwoorden. Ze moeten dus ook als bijvoeglijke naamwoorden behandeld worden. Dat betekent dat een begroot bedrag en het begrote bedrag onder dezelfde regels vallen als een groot bedrag en het grote bedrag. Verdubbeling van de d of t is alleen aan de orde als het om persoonsvormen gaat: ‘Zij begrootte/besteedde het bedrag.’

Meer voorbeelden van werkwoorden waarin vaak ten onrechte de d of t wordt verdubbeld als het voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord wordt gebruikt:

  • aanbesteden: De regering besteedde het project aan. - Het aanbestede project is nog niet begonnen.
  • aankleden: De verzorger kleedde het aapje schattig aan. - ‘De aangeklede aap’ is een grappig boek.
  • aanpraten: Zij praatten haar een minderwaardigheidscomplex aan. - Ze had veel last van het haar aangeprate complex.
  • aanrichten: De orkaan richtte veel schade aan. - De aangerichte schade was enorm.
  • afdichten: Zij dichtten de naden netjes af. - De afgedichte naden bleken gelukkig waterdicht.
  • afleiden: Ik hoorde dat Raymond je telkens afleidde - Snel afgeleide kinderen kunnen het best niet in een groepje zitten.
  • afslachten: Het leger slachtte 150 konijnen af. - Er ontstond een rel over de afgeslachte konijnen.
  • begroten: Maaike begrootte een flink bedrag. - Het begrote bedrag leek heel redelijk.
  • beïnvloeden: Jouw opmerking beïnvloedde mijn keuze. - In Nederland heb je eigenlijk alleen door de mens beïnvloede landschappen.
  • bekleden: Paula bekleedde het stoeltje. - Het opnieuw beklede stoeltje is mooi geworden.
  • benijden: De wandelaars vertrokken vol goede moed, maar ik benijdde ze niet. - Zij bezat die door velen benijde x-factor.
  • bereiden: Gert-Jan bereidde ons een heerlijke maaltijd. - De door hem bereide maaltijd was heerlijk.
  • berichten: Zij berichtte dat ze goed was aangekomen. - De berichte vertraging viel gelukkig mee.
  • beslechten: De kickboksster beslechtte de strijd met een rechtse hoek. - Het leek een vooraf beslechte strijd.
  • bespieden: De spion bespiedde de contraspion. - De bespiede contraspion had niets in de gaten.
  • bestraten: Ze bestraatten de weg. - De opnieuw bestrate weg is mooi geworden.
  • besteden: Zij besteedden veel aandacht aan hun tuin. - Het bestede bedrag was onaanvaardbaar hoog.
  • betichten: Pien betichtte haar baas van vriendjespolitiek. - De door Pien van vriendjespolitiek betichte baas werd boos.
  • bevoorraden: Hij werkte voor een vervoersbedrijf dat supermarkten bevoorraadde. - De bevoorrade supermarkt kon weer even vooruit.
  • bevoorrechten: De koning bevoorrechtte zijn jongste zoon. - Zijn andere kinderen waren jaloers op zijn bevoorrechte positie.
  • bevrijden: De soldaten bevrijdden de gijzelaars. - De bevrijde gijzelaars waren ongedeerd.
  • bevroeden: Niemand bevroedde dat de brave boekhouder corrupt was. - De bevroede tegentreffer viel in de 89ste minuut.  
  • bevruchten: De laboratoriummedewerker bevruchtte de eicel. - De bevruchte eicellen werden teruggeplaatst.
  • bijlichten: De ouvreuse lichtte de laatkomers bij. - Kippen voelen zich prettiger in bijgelichte hokken.
  • buten: Lies buutte Marc het eerst. - De gebute Marc zei dat ze stiekem gekeken had.
  • doden: Zij doodden de tijd met klaverjassen. - De gedode held werd wereldberoemd.
  • doorlichten: De interimmer lichtte de organisatie door. - Met de doorgelichte organisatie bleek weinig mis te zijn.
  • doorroesten: De verlaten fiets roestte langzaam door. - De doorgeroeste fiets werd uiteindelijk door de gemeente verwijderd.
  • fruiten: Henk fruitte de uien. - Hij voegde de gefruite uien toe aan het gerecht.
  • herinrichten: De gemeente herinrichtte de openbare ruimte rond het plein. - De heringerichte openbare ruimte viel in de smaak.
  • huisvesten: Dat gebouw huisvestte jarenlang een mannenkoor. - De in dat gebouw gehuisveste vereniging was vaak in het nieuws.
  • inlichten: De buurvrouw lichtte de school in. - De ingelichte school deed niets met de informatie.
  • kneden: Jort kneedde het deeg. - Het geknede deeg moest een half uur rusten.
  • minachten: Tante Petunia minachtte haar neef. - De door haar geminachte neef had een hekel aan haar.
  • nieten: Zij niette de papieren aan elkaar. - De aan elkaar geniete papieren raakten los.
  • noden: Beierende klokken noodden de kerkgangers naar de eerste mis. - De genode gasten vermaakten zich kostelijk.
  • omkleden: Hij kleedde zich twee keer per dag om. - De omgeklede man leek een ander mens.
  • omkleden: Zij omkleedde haar beslissing met tien argumenten. - U krijgt een kopie van de met redenen omklede beslissing.
  • onderrichten: De ouderwetse juffrouw onderrichtte haar leerlingen in de etiquette. - De door haar onderrichte leerlingen kwamen goed terecht.
  • ontbloten: Zij ontblootten eerbiedig het hoofd. - De zon brandde op hun ontblote hoofden.
  • ontleden: Zij ontleedden de zinnen. - De ontlede zinnen leverden ze in bij de leraar.
  • ontvluchten: Zij ontvluchtte de drukte. - In de provincie wonen veel aan de drukte van de stad ontvluchte stedelingen.
  • opbiechten: Uiteindelijk biechtte hij op dat hij gelogen had. - De opgebiechte leugens verbaasden niemand.
  • oplichten: Dat gemene mens lichtte oude mensen op. - De opgelichte mensen waren erg van streek.
  • opluchten: Het luchtte me op er eindelijk over te kunnen praten. - ‘Dat viel honderd procent mee’, was zijn opgeluchte reactie.
  • opvoeden: Ze voedden hun kinderen heel verstandig op. - Zulke verstandig opgevoede kinderen zitten lekker in hun vel.
  • pretesten: Zij pretestte haar enquête. - De gepreteste enquête bleek te lang.
  • promoten: Ronny promootte jarenlang tandpasta. - De gepromote tandpasta werd een verkoopsucces.
  • schaden: Het litteken schaadde zijn schoonheid. - De geschade partij kan een klacht indienen.
  • slechten: Vroeger slechtte men geschillen met het zwaard. - De stenen van de geslechte stadsmuur werden hergebruikt.
  • smeden: Zij smeedden een complot. - Het gesmede complot lekte al snel uit.
  • tentoonspreiden: Ik begreep dat ze niet veel belangstelling tentoonspreidde - Ik was verbaasd over de tentoongespreide belangstelling.
  • toedichten: Zij dichtte hem een grote diepgang toe. - Hij was zich niet bewust van de hem toegedichte diepgang.
  • toelichten: Zij lichtte de uitkomsten van het onderzoek toe. - De toegelichte onderdelen waren nog wel te begrijpen.
  • uitbesteden: De organisatie besteedde het project uit. - Het uitbestede project werd een succes.
  • uitkleden: Terwijl ze zich uitkleedde, keek ze naar Oprah. - Agnes vreest voor een uitgeklede zorg.
  • uitlichten: De technicus lichtte de actrice perfect uit. - De uitgelichte boom rees ’s avonds majestueus uit boven het plein.
  • uittesten: Zij testte het nieuwe programma uit. - Het uitgeteste programma vertoonde nog wat foutjes.
  • uitvergroten: Hij werd het zat dat zij tegenslagen altijd zo uitvergrootte. - Een soap is een uitvergrote vorm van het dagelijks leven.
  • vastroesten: Zij roestte vast in haar functie van secretaris. - De vastgeroeste secretaris wilde van geen aftreden weten.
  • verachten: Oom Herman verachtte tovenaars. - De door hem verachte tovenaars verbaasden zich over hem.
  • verafgoden: Hij verafgoodde zijn vrouw. - De door hem verafgode vrouw was écht een heel leuk mens.
  • vergroten: Anja vergrootte de foto. - De vergrote foto werd in de hal opgehangen.
  • verkleden: Gert verkleedde zich als Dolly Parton. - Altijd dolle pret, zo’n als vrouw verklede man.
  • verkloten: Marieke verklootte drie uitgelezen scoringskansen. - Zij baalde van de door haar verklote scoringskansen.
  • verlaten: Ze wachtte met ongeduld en werd steeds bozer omdat hij zich zo verlaatte (= ‘te laat kwam’). - In een verlate reactie liet hij weten de afspraak te zijn vergeten.
  • verlichten: De lamp verlichtte de leestafel. - De verlichte toren zag er mooi uit.
  • verloten: De tv-presentator verlootte een auto. - De verlote auto was Japans.
  • vermelden: Hoe het verder moest, vermeldde het verhaal niet. - De vermelde details klopten allemaal.
  • vermoeden: Hij vermoedde dat er fouten waren gemaakt. - Met de vermoede fouten viel het uiteindelijk wel mee.
  • verpesten: Kim verpestte de sfeer weer eens. - De verpeste sfeer had nare gevolgen.
  • verrichten: Carla verrichtte het meeste werk. - De voor u verrichte werkzaamheden worden in rekening gebracht.
  • verroesten: De fiets verroestte al snel. - De verroeste fiets stond altijd buiten.
  • versmaden: Pieter versmaadde de hutspot bepaald niet. - Zelfs de hond nam geen hap van de door iedereen versmade hutspot.
  • verspreiden: De wind verspreidde de zaadjes over het land. - De door de wind verspreide zaadjes vielen ook in onze tuin.
  • verwachten: Het KNMI verwachtte storm. - De verwachte storm viel gelukkig mee.
  • verwoesten: De Vandalen verwoestten nogal eens een stad. - De verwoeste steden werden weer hersteld.
  • voorbereiden: Is de speech die je voorbereidde al af? - Het door mij zo zorgvuldig voorbereide interview ging op het laatste moment niet door.
  • voorlichten: De ambtenaar lichtte de buurtbewoners voor. - De voorgelichte buurtbewoners bleven tegen de sloop van hun huizen.
  • wegpesten: Wat misselijk dat zij toen die collega wegpestten. - De weggepeste pechvogel vond gelukkig al snel een veel leukere baan.
  • wieden: Aukje wiedde haar bloemenperkje elke week. - In het vijf dagen geleden gewiede bloemenperkje kwam het onkruid alweer op.