Wat is juist: ‘Een op de vijf Nederlanders ontbijt nooit’ of ‘Een op de vijf Nederlanders ontbijten nooit?’

Juist is ‘Een op de vijf Nederlanders ontbijt nooit.’

Na de constructie een op de x volgt een enkelvoudige persoonsvorm. Dat enkelvoud past bij het telwoord een. Andere voorbeelden:

  • Van de ondervraagden was een op de vijf zeer tevreden.
  • Slechts een op de tien Nederlanders zegt zich dagelijks gestrest te voelen op hun werk.

Als er niet een staat, maar een ander getal, is het meervoud juist. Dat meervoud past bij de telwoorden twee, drie, vier, enz.:

  • Twee op de tien bedrijven die vorig jaar zijn opgericht, zijn alweer failliet.
  • Vier op de tien jongeren bewegen te weinig.

Voor constructies met van geldt hetzelfde:

  • Slechts een van de tien ondervraagden zei zich dagelijks gestrest te voelen op het werk.
  • Twee van de tien bedrijven die vorig jaar zijn opgericht, zijn alweer failliet.
  • Vier van de tien jongeren bewegen te weinig.

Overigens zijn dit soort constructies met van vaak dubbelzinnig (ambigu). Zo kan ‘Twee van de tien bedrijven die vorig jaar zijn opgericht, zijn alweer failliet’ niet alleen uitdrukken dat twintig procent van de vorig jaar opgerichte bedrijven nu failliet is, maar ook dat er vorig jaar tien bedrijven zijn opgericht en dat er daarvan nu twee failliet zijn.