Wanneer gebruik je deze, die, dit of dat?

Met deze en die verwijs je naar de-woorden: ‘Ik zoek een nieuwe tas en die/deze lijkt me wel leuk.’ Met dit en dat verwijs je naar het-woorden: ‘Ik zoek een mooi boek en dit/dat lijkt me wel wat.’

De keuze voor deze, die, dit of dat

De keuze tussen deze, die, dit en dat hangt af van de volgende punten:

  1. Verwijs je naar een de-woord of een meervoud, dan is deze of die juist. Verwijs je naar een het-woord of naar iets onbepaalds, dan is dit of dat juist. Meer >
  2. Deze en dit verwijzen van oorsprong naar iets wat dichtbij is. Als je die en dat gebruikt, bedoel je vaak iets wat zich verder weg bevindt. (Dit verschil is wel vervaagd.) Meer >
  3. Deze en in mindere mate dit kunnen nogal nadrukkelijk en formeel overkomen. Die en dat zijn neutraler. Meer >
  4. Soms klinken alle vier deze woorden nogal nadrukkelijk. Persoonlijke voornaamwoorden zoals hij, hem, ze, haar en het zijn dan een alternatief. Meer >

Handig hulpmiddel: de Taal*maat

De Taal*maat Deze, die, dat of dit? is een stroomdiagram waarmee je kunt bepalen of deze, die, dat of dit goed is. Een handig hulpmiddel om het juiste woord te kiezen!

Schema

 

de-woord of meervoud

het-woord of (groter deel van) een zin

nadrukkelijk/formeel (of dichtbij)

(Wilt u dat uw auto veilig staat?) Parkeer deze dan in een parkeergarage.

(Hebt u kaartjes besteld?) Dan kunt u deze ophalen bij de kassa.

Als er een gaatje is ontstaan, vult de tandarts dit met composiet.

We lagen aan kop, maar niemand had dit door.

neutraal (of verder weg)

(Wilt u dat uw auto veilig staat?) Parkeer die dan in een parkeergarage.

(Hebt u kaartjes besteld?) Dan kunt u die ophalen bij de kassa.

Als er een gaatje is ontstaan, vult de tandarts dat met composiet.

We lagen aan kop, maar niemand had dat door.

alternatief: pers. vnw.

(Wilt u dat uw auto veilig staat?) Parkeer hem dan in een parkeergarage.

(Hebt u kaartjes besteld?) Dan kunt u ze ophalen bij de kassa.

Als er een gaatje is ontstaan, vult de tandarts het met composiet.

We lagen aan kop, maar niemand had het door.

1. De-woord of het-woord

Een zelfstandig naamwoord waar het lidwoord de bij staat, is een mannelijk of vrouwelijk woord of een woord in het meervoud. Daar kun je naar verwijzen met de aanwijzende voornaamwoorden deze en die.

  • de man, dus deze man of die man
  • de vereniging, dus deze vereniging of die vereniging
  • de potloden, dus deze potloden of die potloden

Een zelfstandig naamwoord waar het lidwoord het bij staat, is een onzijdig woord. Daar kun je naar verwijzen met de aanwijzende voornaamwoorden dit en dat.

  • het huis, dus dit huis en dat huis
  • het meisje, dus dit meisje en dat meisje

Het verschil tussen de-woorden en het-woorden wordt uitgelegd in dit advies.

Dit en dat kunnen ook naar iets vagers, groters of algemeners verwijzen, meestal iets wat in (een deel van) een zin staat.

  • Groenten kun je het best bij 0 graden bewaren. Dit/dat zorgt ervoor dat ze langer goed blijven.
  • Veeg je voeten als je binnenkomt! Dat heb ik nu al honderd keer gezegd.

2. Dichtbij of ver weg

Van oorsprong verwijzen deze en dit naar iets wat dicht bij de spreker is. Met die en dat verwijs je naar iets wat verder weg is. Dit verschil duikt vooral nog op in ‘contrastief gebruik’, dus om een duidelijke tegenstelling aan te geven: iets is verder weg of dichterbij dan het ander.

  • Deze mensen wachten al het langst; die op de bank zijn daarna aan de beurt.
  • Je moet die boom daar snoeien; deze hier mag pas volgend jaar.
  • Ik vond dit boek beter dan dat boek.

In gevallen als de volgende is alleen die mogelijk (en niet deze):

  • Heb je zelf een tent of wil je die van ons gebruiken?
  • Ik wil een grote vaas gebruiken. Kun jij me die op de kast aangeven?

3. Formeel of neutraal

De vormen die en dat zijn neutraal en passen het best als er geen nadruk op deze woorden hoeft te liggen. Deze en dit zijn nadrukkelijker. Daardoor komen deze woorden soms wat stijf en vormelijk over.

  • Vertel ons uw wensen! Wij vertalen die dan in een ontwerp. (neutraal)
  • Vertel ons uw wensen! Wij vertalen deze dan in een ontwerp. (nadrukkelijk en wat stijf/vormelijk)
  • Is het boek dat u zoekt uitgeleend? Dan kunt u dat reserveren. (neutraal)
  • Is het boek dat u zoekt uitgeleend? Dan kunt u dit reserveren. (nadrukkelijk en wat stijf/vormelijk)

4. Alternatief: het, hij, ’m, ze

Een alternatief voor deze/die en dit/dat is een persoonlijk voornaamwoord: bijvoorbeeld hem (’m), het of ze. Die vormen klinken vaak het natuurlijkst.

  • We hebben de broek niet in uw maat, maar we kunnen hem wel bestellen.
  • Uw bloeddruk kunt u laten controleren door de assistente. Ze is hiervoor elke maandag- en woensdagmiddag beschikbaar.
  • Vertel ons uw wensen! Wij vertalen ze dan in een ontwerp.
  • Is het boek dat u zoekt uitgeleend? Dan kunt u het reserveren.