Schrijf je combinaties met bruto en netto los of aaneen?

Het heeft de voorkeur om combinaties met bruto en netto als samenstelling op te vatten en dus aaneen te schrijven: brutosalaris, brutovermogen, nettobedrag, nettoloon, nettorendement, nettowinst, enz. Dat geldt ook als het woord na bruto/netto zelf al een samenstelling is: brutojaarsalaris, brutoreturnindex, nettomaandloonnettohuuropbrengst, nettovermogenswaarde, nettoherstructureringskosten.

Als het tweede deel met een e, i, o of u begint, komt er een streepje vanwege klinkerbotsing: bruto-inkomen, netto-opbrengst, netto-uitgave.

Volgens de meeste naslagwerken, waaronder Van Dale en het Groene Boekje, zijn bruto en netto bijwoorden. Daarom kunnen ze niet los van het erop volgende zelfstandig naamwoord worden geschreven. Bij bijvoeglijke naamwoorden is dat normaal gesproken wél het geval (een vast inkomen, een hoge opbrengst). Maar er zijn ook woordenboeken (bijvoorbeeld Koenen en het Witte Woordenboek) die bruto en netto bijvoeglijke naamwoorden noemen; volgens die woordenboeken is het dus toegestaan om bruto salaris, netto inkomen, etc. te schrijven.

Waar de woordenboeken het wél over eens zijn, is dat bruto en netto als los woord worden geschreven als er een bijvoeglijk naamwoord op volgt: bruto binnenlands product, bruto nationaal product, netto besteedbaar inkomen, netto financiële lasten.