Vroeger bestond ook het voltooid deelwoord geplogen, maar dat is langgeleden uit onze taal verdwenen. Plegen heeft in deze betekenis nu geen voltooid deelwoord meer. Een paar voorbeelden met dit werkwoord:

  • Mijn opa placht te zeggen: ‘Een gast en een vis blijven drie dagen fris.’
  • Ons gezin placht iedere zondag naar de kerk te gaan.
  • Hier plachten de vissers hun netten te drogen. 
  • Wij plegen elk jaar een familiedag te organiseren.

Plegen kan ook een andere betekenis hebben: ‘zich met iets bezighouden’, ‘iets uitoefenen’ of ‘verrichten, doen’, zoals in recht plegen en een strafbaar feit plegen. Dit plegen heeft wél de verleden tijd pleegde; het voltooid deelwoord is gepleegd. Juist zijn dus:

  • Herman pleegde jarenlang roofbouw op zijn lichaam en nu is hij ziek.
  • De ontsnapte crimineel heeft meteen weer een misdaad gepleegd.
  • Ik pleegde een paar telefoontjes voordat ik vertrok.
  • Zullen we eerst even overleg plegen?

Toch nog een vraag?

Onze taaladviseurs staan elke werkdag voor je klaar. Neem contact op via

Bel 085 00 28 428 van 9.30 tot 12.00 uur (op donderdag tot 11.00 uur) en van 13.30 tot 16.00 uur Bel 085 00 28 428 van 9.30 tot 12.00 uur (op donderdag tot 11.00 uur) en van 13.30 tot 16.00 uur

(gebruikelijke belkosten, geen extra kosten)

Of stel je vraag via social media of per mail