Hoe heten de twee puntjes op een klinker, zoals in föhn en financiën?

Dat hangt ervan af hoe ze gebruikt worden. Een trema geeft het begin van een nieuwe lettergreep aan, bijvoorbeeld in financiën, coördinatie en reünie. Een umlaut is bedoeld om de juiste uitspraak van de klinker weer te geven, bijvoorbeeld in föhn en hüttenkäse.

Trema

Het trema wordt gebruikt bij klinkerbotsing. Dat houdt in dat er twee klinkers naast elkaar staan die als één klank gelezen kunnen worden, terwijl ze bij verschillende lettergrepen horen, zoals in ruïne en geërgerd. Het trema voorkomt hier dat je de u + i als ui of de e + e als ee leest: het trema geeft aan bij welke klinker een nieuwe lettergreep begint. Trema’s worden alleen gebruikt in niet-samengestelde woorden; in samenstellingen, zoals foto-expositie en na-apen, worden koppeltekens (liggende streepjes) gebruikt.

Umlaut (als teken)

Umlauten komen alleen in leenwoorden voor – met name uit het Duits, Zweeds en Turks. Ze geven aan dat je een klinker anders uitspreekt dan normaal het geval is in die taal. Umlaut betekent in het Duits dan ook letterlijk ‘omklank’, oftewel ‘klankverandering’. Zo klinkt de ö als ‘uh’ of ‘eu’ en de ä als ‘e’ of ‘ee’: rösti, döner, knäckebröd, salonfähig. Een ü geeft in het Duits en Turks een ‘uu’-klank aan; zonder umlaut is de u er een ‘oe’.

Welbeschouwd is de ü in het Nederlands vaak overbodig: in überhaupt en bühne zou de u ook zonder umlaut als ‘uu’ klinken. Maar leenwoorden behouden vaak lange tijd hun anderstalige uiterlijk.

Umlaut (als verschijnsel)

Het woord umlaut wordt in de taalkunde ook voor iets anders gebruikt, namelijk voor de klankverandering in sommige afleidingen. Bijvoorbeeld: van half is het woord helft afgeleid, van leng zijn lengte en verlengen afgeleid, en van vol is het werkwoord vullen afgeleid. In de afleidingen is de a dus een e geworden en de o een u. Zo’n klankverandering in groepjes woorden die etymologisch met elkaar verwant zijn, heet ook ‘umlaut’. 

Nederlandse voorbeelden van woordparen waarin umlaut optreedt:

  • half - helft
  • hals - omhelzen
  • hand - behendig
  • hangen - hengel
  • krank - krenken
  • lam - belemmeren
  • lang - lengen, lengte, verlengen
  • man - mens
  • mank - verminken
  • plat - pletten
  • rap (‘snel’) - reppen
  • spoor - speuren
  • stad - steden
  • stand - bestendig
  • strak - strekken
  • tam - temmen
  • tellen - getal
  • varen - veer (‘pont, boot’)
  • vol - vullen

Deze vorm van umlaut komt in vrijwel alle Germaanse talen voor, al is het verschijnsel in de ene taal (zoals het Duits) herkenbaarder en gangbaarder dan in de andere (zoals het Engels).