Wat is juist: rubber boot, rubberboot of rubberen boot?

Rubber boot, rubberboot en rubberen boot zijn allemaal goed. Rubberboot is het gebruikelijkst.

Rubberboot

Rubberboot is in z’n geheel een aanduiding voor een bepaald soort boot geworden. Ook in andere gevallen is het het gebruikelijkst om rubber vast te schrijven aan het erop volgende woord: rubberbal, rubberband, rubberbuis, rubberdraadrubberkogel, rubberlaag, rubberlaars, rubberpakkingrubberzool. Ook dit zijn in hun geheel aanduidingen voor een bepaald soort bal, band, buis, draad, enz.

Rubber boot

Rubber is een voorbeeld van een zogenoemde ‘stofnaam’: het duidt aan van welke stof, welk materiaal, iets gemaakt is. Het is een relatief nieuw woord: het is rond 1900 in het Nederlands in gebruik gekomen. Nieuwere stofnamen kunnen ook onveranderd gebruikt worden als bijvoeglijk naamwoord: een rubber boot, een plastic tas, een polyether matras. Vooral in combinatie met woorden die zelf al uit twee of meer delen bestaan, kan rubber als bijvoeglijk naamwoord rubber(en) worden gebruikt: rubber reddingsbootje, rubber ondervloer.

Rubberen boot

Van veel stofnamen kan ook een bijvoeglijk naamwoord gemaakt worden door er -(e)n achter te zetten: rubberen. Naast een rubber boot is daarom een rubberen boot mogelijk, net als een rubberen band, een rubberen buis enz. Vergelijk stofnamen als hout, zink en papier, en de bijbehorende bijvoeglijke naamwoorden houten, zinken en papieren

Herkomst rubber(en)

Het bijvoeglijk naamwoord rubberen is betrekkelijk jong. Het komt vanaf het midden van de twintigste eeuw voor. Tot die tijd werd rubber als vreemd woord gezien (het is een leenwoord uit het Engels) en werd het onveranderd als bijvoeglijk naamwoord gebruikt, net als plastic en corduroy (een rubber/plastic badeend, een corduroy broek). Rubber werd echter steeds minder als leenwoord aangevoeld, en kreeg daarom de uitgang -en: een rubberen badeend. Rubberen stuitte aanvankelijk nog weleens op kritiek, maar het is inmiddels volkomen ingeburgerd.