Wat is juist: rubber boot, rubberboot of rubberen boot?

 

Rubber boot en rubberen boot zijn allebei goed, maar de combinatie van woorden is het gebruikelijkst als één woord: rubberboot.

Rubberboot is in z’n geheel een aanduiding voor een bepaald soort boot geworden. Ook in andere gevallen kan rubber vast worden geschreven aan het erop volgende woord: rubberbal, rubberband, rubberbuis, rubberdraad, rubberhandschoen, rubberkogel, rubberlaag, rubberlaars, rubberpakkingrubberzool. Ook dit zijn in hun geheel aanduidingen voor een bepaald soort bal, band, buis, draad, enz.

Rubber is een voorbeeld van een zogenoemde ‘stofnaam’: het duidt aan van welke stof, welk materiaal, iets gemaakt is. Van stofnamen kan een bijvoeglijk naamwoord gemaakt worden door er -(e)n achter te zetten: rubberen. Naast een rubber boot is daarom een rubberen boot mogelijk, net als een rubberen band, een rubberen buis enz. Vergelijk stofnamen als hout, zink en papier, en de bijbehorende bijvoeglijke naamwoorden houten, zinken en papieren. Vooral in combinatie met woorden die zelf al uit twee of meer delen bestaan, wordt het bijvoeglijk naamwoord rubber(en) gebruikt: rubber/rubberen reddingsbootje, rubber/rubberen ondervloer.

Herkomst rubber(en)

Het bijvoeglijk naamwoord rubberen is betrekkelijk jong; het komt een jaar of dertig voor. Tot die tijd werd rubber als vreemd woord gezien (het is een leenwoord uit het Engels) en werd het onveranderd als bijvoeglijk naamwoord gebruikt, net als plastic en corduroy (een rubber/plastic badeend, een corduroy broek). Rubber werd echter steeds minder als leenwoord aangevoeld, en kreeg daarom de uitgang -en: een rubberen badeend. Rubberen stuitte aanvankelijk nog weleens op kritiek, maar het is inmiddels volkomen ingeburgerd.